Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
05-1804 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1804 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2005, 04/2849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Phillips, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Busquet, kantoorgenoot van mr. Phillips. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is werkzaam geweest als monteur transformatoren en is op 19 november 1997 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens maagklachten. Nadien heeft appellant diverse andere klachten ontwikkeld, waaronder psychische klachten. In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is hij volledig arbeidsongeschikt geacht wegens zijn beperkingen op psychisch vlak. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan appellant een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts V.R. Evegaars heeft appellant in het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling op 10 december 2003 onderzocht. In het door Evegaars op dezelfde datum uitgebrachte rapport is vermeld dat appellant nog steeds klachten heeft op psychisch en lichamelijk vlak, maar dat er geen sprake is van een volledig disfunctioneren, zodat niet langer sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten. Vervolgens heeft F. Aarts, arts-assistent, bij brief van

16 januari 2004 desverzocht informatie verstrekt aan Evegaars over de behandeling van appellant bij de RIAGG. Op 29 januari 2004 heeft Evegaars een aanvullend rapport uitgebracht, waarin is vermeld dat appellant geschikt is voor werkzaamheden die in psychisch opzicht weinig belastend zijn en waarbij fysieke inspanning en vooroverbuigen beperkt voorkomen. De voor appellant vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 januari 2004.

De arbeidsdeskundige M.E. Poortvliet-Liauw heeft aan de hand van deze FML functies voor appellant geselecteerd. In het door Poortvliet-Liauw op 5 maart 2004 uitgebrachte rapport is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 tot 25% moet worden gesteld.

Bij besluit van 11 maart 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 mei 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar bij besluit van 19 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat de medische beperkingen van appellant onjuist zijn ingeschat. Ook was de rechtbank van oordeel dat door het Uwv voldoende is gemotiveerd dat appellant in staat is om de aan hem voorgehouden functies te vervullen en dat terecht is aangenomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 15 tot 25% bedraagt. De rechtbank heeft evenwel tevens geconstateerd dat pas in beroep door het Uwv voldoende duidelijkheid is verschaft over de data waarop de geselecteerde functies zijn geënquêteerd. In verband hiermee heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant zich alleen verzet tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de in beroep ingebrachte verklaring van zijn huisarts,

E.A. van den Wijngaarden-Sinke, van 19 oktober 2004. Voorts heeft appellant nieuwe verklaringen ingebracht van zijn huisarts van 10 juni 2005 en 6 februari 2007.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen van appellant juist hebben ingeschat en dat de door appellant ingebrachte informatie van de huisarts geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv de medische geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies nader toegelicht bij rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt van 14 september 2005 en

19 februari 2007.

De Raad overweegt als volgt.

De verzekeringsarts Evegaars heeft appellant onderzocht en heeft vervolgens informatie ingewonnen bij de RIAGG. Op basis van de verkregen informatie heeft Evegaars geconcludeerd dat appellant belastbaar is met arbeid, zij het alleen voor zowel in psychisch als in lichamelijk opzicht lichte werkzaamheden. In de op 29 januari 2004 opgestelde FML zijn in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden diverse medische beperkingen opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe heeft, na appellant te hebben gehoord, op 6 juli 2004 gerapporteerd dat de FML een juiste afspiegeling vormt van de bij appellant bestaande medische beperkingen. In beroep heeft

Van de Merwe, in reactie op de ingebrachte brief van de huisarts van 19 oktober 2004, bij rapport van 1 november 2004 aangegeven dat in de FML reeds is verdisconteerd dat appellant op psychisch vlak fors verminderd belastbaar is. Ook de nadien ingebrachte informatie van de huisarts heeft het Uwv geen aanleiding gegeven voor een andere inschatting van de belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is. Voorts heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de in de FML neergelegde verminderde belastbaarheid voldoende tegemoet komt aan de bij appellant bestaande medische beperkingen.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende. Bij rapport van 14 september 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt een toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Bij rapport van 19 februari 2007 heeft Van Mastrigt in dit verband een nadere toelichting gegeven, onder meer wat betreft het aspect samenwerken, op welk aspect appellant sterk beperkt is geacht. Hierbij heeft Van Mastrigt onder andere aangegeven dat bij de functies van spuitgieter en montagemedewerker weliswaar tot op zekere hoogte moet worden samengewerkt, maar dat het hierbij niet gaat om functionele samenwerking met collega’s en dat deze functies, gezien de desbetreffende functieomschrijvingen, in wezen als vrijwel solitaire functies kunnen worden beschouwd. Voor de Raad is met de in hoger beroep gegeven toelichting voldoende komen vast te staan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.

JL