Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
05-2763 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Weigering om terug te komen van: geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2763 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 april 2005, 04/1462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens [naam werkgever], het bedrijf waarbij appellant laatstelijk werkzaam is geweest, heeft mr. H.W. Bemelmans te kennen gegeven als derde partij aan het geding te willen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door G. van Schie, werkzaam bij Claimpoint B.V. te Rotterdam, en vergezeld van H.E. Wonnink, arts, eveneens werkzaam bij Claimpoint B.V. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Sowka.

[naam werkgever] is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was sedert 1989 voltijds werkzaam als chef werkplaats bij [naam werkgever] toen hij op 4 december 2000 voor dat werk is uitgevallen met psychische klachten. Hij is onderzocht door de verzekeringsarts W.M. Koek die op 29 oktober 2001 heeft gerapporteerd dat appellants spanningsklachten zijn gerelateerd aan zijn werkgever, dat er geen sprake is van ziekte of gebrek leidend tot duurzame beperkingen en dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk bij een andere werkgever.

Bij besluit van 15 november 2001 is geweigerd aan appellant per 5 december 2001 een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Tegen dat besluit is appellant niet in rechte opgekomen zodat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Hierbij tekent de Raad aan dat hij het eens is met het standpunt van het Uwv dat het door appellant bij brief van 8 januari 2002 ingediende verzoek om een zogenoemde second opinion niet (ook) als een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb kan worden aangemerkt.

Bij brief van 18 juli 2003 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 15 november 2001, zulks onder verwijzing naar het rapport van een door de psychiater drs. J.M. de Ridder en de psycholoog drs. A.T.M. Vogelvanger, verbonden aan de HSK-groep, op 15 en 22 april 2003 op verzoek van zijn toenmalige advocaat mr. R.N. de Wit ingesteld onderzoek, welke expertise door de psycholoog Vogelvanger is aangevuld bij brief van 4 juli 2003.

Bij primair besluit van 11 september 2003 heeft het Uwv, in overeenstemming met de bevindingen van de verzekeringsarts Koek op 3 september 2003, dat verzoek afgewezen.

In de bezwaarfase heeft appellant nog een op 13 november 2001 gedateerde verklaring van de hem toen enkele maanden behandelende psycholoog drs. J. Waasdorp overgelegd.

Bij besluit van 25 februari 2004 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv, in overeenstemming met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts A.A.W. Haver op 11 februari 2004, appellants bezwaar tegen dat primaire besluit ongegrond verklaard onder (handhaving van de) overweging dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten, zulks onder verwijzing naar onder meer artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verklaring van de cardioloog dr. Tj.J. Römer van 16 juli 2004 en de verklaring van de arts H.E. Wonnink van 24 februari 2005 niet kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, aangezien die door appellant eerst in beroep zijn overgelegd en het Uwv daarmee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank en het buiten beschouwing laten van de door hem in beroep ingebrachte verklaringen van de cardioloog Römer en de arts Wonnink. Ter zitting heeft Wonnink zijn verklaring toegelicht.

Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank bij de beoordeling van het bestreden besluit terecht en op goede gronden gekomen tot het ongegrond verklaren van het beroep, zo ook tot het daarbij buiten beschouwing laten van de verklaringen van de cardioloog Römer en de arts Wonnink. De Raad heeft daarbij met name het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de afwijzing van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit hanteert de Raad de volgende toetsingsnorm.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Echter, indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere weigering handhaaft, dan opent dat niet de weg naar een toetsing als betreft het een oorspronkelijk besluit. Zo’n wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het gebruik maken van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit als uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot het beantwoorden van de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

De evidente onjuistheid van een besluit waarvan terugkoming wordt gevraagd, speelt sedert enige tijd naar vaste jurisprudentie van de Raad geen beslissende rol meer (zie de uitspraak van de Raad van 4 december 2003, LJN: AN9805).

Voorts kunnen naar vaste jurisprudentie van de Raad uit de aard der zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellant eerst in beroep en/of hoger beroep ingebrachte stukken die niet bij het Uwv bekend waren bij het nemen van het bestreden besluit (zie de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, LJN: AO8674). Als gevolg van de beperkte toetsing in het kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit kunnen, anders dan in een normale procedure, niet ook in de beoordeling in beroep dan wel hoger beroep worden betrokken eerst in die fase ingebrachte stukken ter onderbouwing van reeds eerder (in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase) opgeworpen stellingen.

De verklaring van de psycholoog Waasdorp van 13 november 2001 kan evenmin als een nieuw feit worden aangemerkt, aangezien die verklaring evenzeer destijds in bezwaar en eventueel beroep tegen de weigering een WAO-uitkering toe te kennen had kunnen en moeten worden ingebracht.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv bevoegd was om het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 15 november 2001 met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb af te wijzen; onder de hiervoor gegeven omstandigheden is niet staande te houden dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met hetzij een geschreven of ongeschreven rechtsregel hetzij een algemeen rechtsbeginsel.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris - van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

CVG