Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
05-3383 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3383 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 april 2005, 04/1176 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 1 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer Reeser. Voor het Uwv is verschenen J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 1 september 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, met ingang van 29 januari 2004 ongewijzigd heeft voortgezet. Voor een overzicht van de aan het besluit van 1 september 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2004 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld en dat uit het rapport van internist prof. dr. P. Pop van 7 januari 2005 geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat genoegzaam is aangegeven waarom de belastbaarheid van appellant zowel op de niet-matchende items als op andere punten niet wordt overschreden. Vernietiging, onder het in standlaten van de rechtsgevolgen heeft plaatsgevonden, omdat een en ander eerst is aangegeven in beroep.

In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar zijn beroepschrift – herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Verder heeft appellant aangevoerd dat de bevindingen van internist Pop – en daarmee zijn klachten – door de huidige inzichten in de gevolgen van radiotherapie een andere betekenis krijgen.

De Raad overweegt als volgt.

In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet met medische stukken onderbouwde stelling dat de beperkingen van appellant zijn onderschat, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen.

De Raad betrekt daarbij de in het rapport van 9 februari 2005 neergelegde conclusie van bezwaarverzekeringsarts P. Tjen dat internist Pop ten aanzien van appellant weliswaar een andere diagnose – namelijk het chronisch vermoeidheidssyndroom – heeft gesteld, maar dat het verbinden van een andere oorzaak aan de ondervonden en beoordeelde klachten in het geval van appellant niet leidt tot de aanname van andere beperkingen.

De Raad ziet geen aanleiding voor het gelasten van een onderzoek door een onafhankelijke deskundige.

De Raad kan zich verder, evenals de rechtbank, vinden in de conclusies van arbeidsdeskundige R.E.T. Peters ten aanzien van de geschiktheid van de geduide functies voor appellant, neergelegd in diens rapportage van 28 januari 2005.

Het is de Raad, uitgaande van de op 25 mei 2004 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’, niet kunnen blijken dat appellant op de datum in geding, 29 januari 2004, niet in staat kon worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen

CVG