Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
06-501 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomspensioen wat in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 226
PJ 2008, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/501 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 december 2005, 04/1030 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. J. de Jonge hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 12 februari 2007 is appellant in de gelegenheid gesteld binnen een maand na 7 februari 2007 de regeling in het geding te brengen waarop het aan hem met ingang van 1 juli 2000 toegekende uitgestelde vervroegd pensioen is gebaseerd. Bij brief van 12 maart 2007 heeft de Raad appellant medegedeeld dat hij hieraan uiterlijk 19 maart 2007 diende te hebben voldaan. Daarbij is gewezen op artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting is hervat ter zitting van 21 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

2.1. Appellant, geboren op 7 juni 1945, heeft van 7 september 1964 tot 1 februari 1999 gewerkt bij Shell (hierna: de werkgever). Hij was zeevarende op een tanker. Toen het dienstverband eindigde was appellant 53 jaar. Tot aan zijn 55e jaar ontving appellant ter voorziening in zijn bestaanskosten een zogenaamde lumpsum, een bedrag ineens van de werkgever. Na het bereiken van de 55-jarige leeftijd in juni 2000 is aan appellant met ingang van 1 juli 2000 een uitgesteld vervroegd pensioen toegekend, dat volgens het door appellant overgelegde pensioenoverzicht bestaat uit een levenslang ouderdomspensioen, een overbruggingspensioen tot 65 jaar en een tegemoetkoming 65-min, eveneens tot 65 jaar.

2.2. Appellant heeft na het einde van zijn dienstbetrekking bij de werkgever nog enkele jaren 15 uur per week als taxichauffeur gewerkt in dienst van Taxi Seubers B.V. Aan deze werkzaamheden is een einde gekomen door het faillissement van het taxibedrijf in mei 2004.

2.3. Appellant heeft op 29 mei 2004 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd ter zake van werkloosheid. Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft het Uwv appellant met ingang van 6 juli 2004 een WW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft voorts appellants inkomsten uit het door hem ontvangen uitgesteld vervroegd pensioen met toepassing van artikel 34 van de WW gekort, waardoor de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Bij beslissing op bezwaar van 29 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 augustus 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft de door appellant ontvangen uitkering aangemerkt als een uitkering op grond van een regeling tot vervroegde uittreding.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de inkomsten van appellant uit het uitgesteld vervroegd pensioen terecht in mindering heeft gebracht op de uitkering die hem op grond van de WW toekomt, aangezien sprake is van een uitkering die voorziet in periodieke uitkeringen waarvan de hoogte in overwegende mate is gebaseerd op het loon dat uit de dienstbetrekking is genoten en welke eindigt bij het ingaan van een ouderdomspensioen, namelijk op appellants 65e jaar.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van vervroegde uittreding, noch van een VUT-uitkering, maar van een particuliere lijfrente, waarbij hij ervoor heeft gekozen om deze onder te brengen bij de Stichting Shell Pensioenfonds. Appellant heeft erop gewezen dat hij de rechten heeft verworven in een periode waarin VUT-regelingen nog niet bestonden en waarin ook in de op hem van toepassing zijnde CAO geen regeling ter zake van vervroegde uittreding was opgenomen.

Ter zitting van de Raad van 7 februari 2007 heeft appellant aan het vorenstaande toegevoegd dat de door hem ontvangen uitkering is gebaseerd op een specifieke regeling voor werknemers in de loongroepen 1 tot 5, werkzaam in zogenoemde B-landen, die daardoor de mogelijkheid kregen om op hun 55e jaar, vijf jaar eerder dan de andere werknemers, met pensioen te gaan. Deze regeling is destijds neergelegd in een aanhangsel bij reglement IV van de Stichting Shell Pensioenfonds, aldus appellant.

4.2. De Raad heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde appellant in de gelegenheid te stellen binnen een maand na 7 februari 2007 de regeling in het geding te brengen waarop het aan hem met ingang van 1 juli 2000 toegekende uitgesteld vervroegd pensioen is gebaseerd. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ter zitting van de Raad van 21 maart 2007 heeft het Uwv zijn standpunt dat het door appellant ontvangen uitgesteld vervroegd pensioen moet worden aangemerkt als een uitkering op grond van een regeling tot vervroegde uittreding niet gehandhaafd. Het Uwv stelt zich thans op het standpunt dat de pensioenuitkering een overbruggingsuitkering is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen van 12 december 1991, Stcrt. 1991, 244 (hierna: de regeling Gelijkstelling) en om die reden in mindering gebracht moest worden op de WW-uitkering van appellant.

5.2. Nu het Uwv de motivering van het bestreden besluit niet handhaaft komt dat besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

5.3. De Raad zal bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. In dit verband zal de Raad beoordelen of de uitkering die appellant met ingang van 1 juli 2000 ontving moet worden aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling.

5.4. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW worden op de uitkering ingevolge die wet geheel in mindering gebracht inkomsten wegens ouderdomspensioen. Ingevolge het achtste lid van dit artikel wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Op grond van diezelfde bepaling is de minister bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen. Van die bevoegdheid is gebruikgemaakt in de regeling Gelijkstelling. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling wordt met een ouderdomspensioen gelijkgesteld een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend voorafgaande aan een recht op ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WW.

5.5. Appellant heeft zijn stelling dat het aan hem uitgekeerde uitgesteld vervroegd pensioen geen ouderdomspensioen of daarmee gelijk te stellen uitkering is, maar een particuliere lijfrente uit hoofde van een specifieke regeling voor onder anderen zeevarenden op tankers in B-landen, niet onderbouwd door middel van het overleggen van die regeling. Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb maakt de Raad hieruit de gevolgtrekking dat thans zal worden beoordeeld of op grond van de voorliggende stukken vast is komen te staan dat sprake is van een met een ouderdomspensioen gelijk te stellen uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling.

5.6. Naar het oordeel van de Raad is op grond van het door appellant overgelegde pensioenoverzicht en van het berekeningsoverzicht van de Stichting Shell Pensioenfonds aannemelijk dat het uitgesteld vervroegd pensioen, samengesteld uit een levenslang ouderdomspensioen en twee tijdelijke uitkeringen tot het 65e jaar, te weten een overbruggingsuitkering en een tegemoetkoming 65-min, een uit appellants dienstbetrekking bij de werkgever voortvloeiende periodieke uitkering is die voorafgaande aan het ouderdomspensioen is toegekend. Voor het antwoord op de vraag of het uitgesteld vervroegd pensioen is toegekend bij wijze van oudedagsvoorziening moet naar vaste jurisprudentie van de Raad worden bezien of zij is verstrekt wegens het einde van het arbeidsleven. De doelstelling van het uitgesteld vervroegd pensioen, gelegen in het eerder met pensioen kunnen gaan van een bepaalde categorie werknemers, en de samenstelling van deze uitkering wijzen er naar het oordeel van de Raad op dat het niet in strijd met de realiteit is om haar aan te merken als toegekend in verband met het einde van het arbeidsleven en te kwalificeren als een uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend. Hieraan doet naar het oordeel van de Raad niet af dat appellant met ingang van 1 juli 2000 zijn arbeidsleven feitelijk niet heeft beëindigd, maar nadien nog enkele jaren heeft gewerkt als taxichauffeur. Het gegeven dat het appellant vrijstond om naast de inkomsten uit het uitgesteld vervroegd pensioen inkomsten uit arbeid te verwerven is naar het oordeel van de Raad niet van invloed op het karakter van de toegekende uitkering.

5.7. Gelet op het vorenstaande staat vast dat sprake is van een met een ouderdomspensioen gelijk te stellen uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling, welke in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering van appellant. Nu appellant de berekening van het Uwv van het te korten bedrag niet heeft betwist en deze ook de Raad niet onjuist voorkomt komt de Raad tot het oordeel dat de WW-uitkering niet tot uitbetaling kan komen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen dan ook geheel in stand blijven.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 644,-- in hoger beroep, in totaal

€ 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 40,-- (€ 37,-- + € 103,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get) M.R.S. Bacon.

BvW

15