Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
06/4099 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere bijstand voor doorbetaling van de vaste (woon)lasten omdat betrokkene is gedetineerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4099 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2006, 05/4525 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant en [naam vader] heeft mr. H.M.S. Cremers, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007. Appellanten en hun gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente

’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving tot 1 juli 2005 een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is bij besluit van 4 augustus 2005 met ingang van 1 juli 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) wegens verblijf in detentie. Op 2 september 2005 is namens appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor doorbetaling van de vaste (woon)lasten. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant is gedetineerd.

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het College het tegen het besluit van 20 september 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellant en zijn vader ([naam vader]) zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat appellant bij vroegtijdig of voorwaardelijk ontslag uit detentie, zonder eigen woonruimte, een bedreiging voor zijn ouders en directe woonomgeving zou vormen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep, voor zover dat namens [naam vader] is ingesteld, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien deze niet kan worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot afwijzing van de bijstand rechtstreeks betrokken belang.

De Raad overweegt voorts dat ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht op bijstand heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Naar vaste rechtspraak ten aanzien van het gelijkluidende artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) ziet dit voorschrift zowel op algemene als op bijzondere bijstand. De Raad ziet geen grond hierover voor de toepassing van de WWB anders te oordelen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het college eerst dan bevoegd is met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen.

Naar het oordeel van de Raad heeft zich een dergelijke situatie in het geval van appellant niet voorgedaan. Allereerst bestond geen objectieve grond voor een gerechtvaardigde verwachting dat appellant na zijn detentie per 1 juli 2005 op korte termijn (voorwaardelijk) in vrijheid zou worden gesteld. Voorts is hij bij vonnis van de strafkamer van de rechtbank van 3 januari 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en terbeschikkinggesteld met bevel tot verpleging. Dat de ouders van appellant de door hem verschuldigde huursom voor het adres [adres] om hen moverende redenen nog tot medio oktober 2005 hebben voldaan en dat de huurovereenkomst eerst op 23 februari 2006 door de kantonrechter is ontbonden kan hier niet aan afdoen. Een en ander brengt mee dat het College niet de bevoegdheid toekwam het verzoek om bijzondere bijstand op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB in te willigen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van [naam vader] niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) L. Jörg.

RB1505