Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
06/3830 WW, 06/3831 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering: doorwerken bij werkgever na ontslag. Termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Incorrecte postverwerking.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3830 WW

06/3831 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 29 mei 2006, 05/1138 en 05/1576 (hierna: de aangevallen uitspraak I respectievelijk de aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 23 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, verweerschriften ingediend.

Bij brief van 26 maart 2007 heeft de gemachtigde van betrokkene nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Koelewijn, voornoemd, en zijn echtgenote.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is in Duitsland werkzaam geweest als metselaar in dienst van [werkgever] (hierna: de werkgever). Bij brief van 2 november 2003 heeft de werkgever betrokkene kenbaar gemaakt dat hij per 12 januari 2004 wordt ontslagen wegens het einde van de werkzaamheden. In januari 2004 heeft betrokkene een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Appellant heeft bij besluit van 13 mei 2004 aan betrokkene met ingang van 12 januari 2004 een WW-uitkering toegekend, die is verstrekt over de periode tot en met 4 april 2004. De afdeling Fraude Preventie en Opsporing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kantoor Zwolle, heeft onderzoek ingesteld naar aanleiding van aanwijzingen dat werknemers van de werkgever, waaronder betrokkene, na hun ontslag hebben doorgewerkt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 21 maart 2005 en 23 maart 2005. Op basis van de bevindingen van het fraude-onderzoek heeft appellant bij besluit van 13 mei 2005, onder intrekking van het besluit van 13 mei 2004, betrokkene met ingang van 12 januari 2004 het recht op WW-uitkering ontzegd. Betrokkene heeft bij brief, gedagtekend 24 juni 2005, zijnde de laatste dag van de bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 mei 2005. Appellant heeft het bezwaarschrift ontvangen op 28 juni 2005. De enveloppe vermeldt als poststempel 26 juni 2005. Appellant heeft betrokkene bij schrijven van 29 juni 2005 verzocht mee te delen waarom hij het bezwaar te laat heeft ingediend. Na ontvangst van de reactie van betrokkene op dit verzoek, heeft appellant bij besluit van 9 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit I) dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend en er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege moet blijven.

1.2. Bij besluit van 3 augustus 2005 heeft appellant de aan betrokkene over de periode van 12 januari 2004 tot en met 4 april 2004 onverschuldigd betaalde WW-uitkering ten bedrage van € 6.556,08 bruto van hem teruggevorderd. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 7 november 2005 (hierna: het bestreden besluit II) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit I bij de aangevallen uitspraak I gegrond verklaard en heeft dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij de vaststelling van de datum van terpostbezorging in beginsel moet worden uitgegaan van de datum van het poststempel en dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op 24 juni 2005 is gepost. Gelet op het datumstempel op de enveloppe van 26 juni 2005 en uitgaande van een correcte postbezorging door TPG Post is het bezwaarschrift in de periode tussen vrijdag 18.00 uur (ná de lichting van die dag) en zondag 18.00 uur (vóór de lichting van die dag) in de brievenbus gedeponeerd. De echtgenote van betrokkene heeft ter zitting als getuige verklaard dat zij het bezwaarschrift op 24 juni 2005, de datum die zij zich goed kan herinneren in verband met de op die dag gevierde verjaardag van haar moeder, in de brievenbus heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat het bezwaarschrift op 24 juni 2005 in de brievenbus is gedeponeerd, zodat voorbij dient te worden gegaan aan het als uitgangspunt dienende datumstempel. De conclusie van de rechtbank is dat appellant het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit I vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit II eveneens gegrond verklaard en heeft zij dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 mei 2005 inzake de intrekking van de WW-uitkering met ingang van 12 januari 2004 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard de terugvordering (nog) niet voldoende vast staat.

3.1 Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I onder verwijzing naar uitspraken van de Raad aangevoerd dat betrokkene het bezwaarschrift niet per aangetekende post dan wel met bewijs van ontvangst heeft verzonden, zodat hij niet op die wijze het tijdstip van terpostbezorging kan aantonen. Appellant heeft erop gewezen dat de datum van het poststempel niet uitsluit dat de bezorging ter post op 25 juni of 26 juni 2005 heeft plaatsgevonden. Naar de mening van appellant dient betrokkene aan te tonen dat hij het bezwaarschrift op 24 juni 2005 in de brievenbus heeft gedeponeerd. Appellant acht de enkele daartoe strekkende verklaring van de echtgenote van betrokkene niet toereikend.

3.2. Betrokkene heeft aangevoerd dat zijn echtgenote als getuige ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat zij de brief op 24 juni 2005 heeft geschreven en op die dag vóór 18.00 uur, toen de brievenbus nog niet was gelicht, heeft gepost. Betrokkene is van mening dat hij door middel van zijn eigen verklaring en die van zijn echtgenote heeft aangetoond het bezwaarschrift tijdig te hebben verzonden. Voorts heeft betrokkene gewezen op paragraaf 6.1.3. van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 en op het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007, NJB 16 maart 2007, nr. 11, waaruit volgt dat het aannemelijk wordt geacht dat een bezwaarschrift dat binnen zeven weken na dagtekening van de aanslag of beschikking is ontvangen, tijdig ter post is bezorgd.

3.3. In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 mei 2005 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard zodat de rechtbank het bestreden besluit I ten onrechte heeft vernietigd. Mitsdien staat volgens appellant de terugvordering wel voldoende vast en heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven omtrent het standpunt van betrokkene dat er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

3.4. Betrokkene is van mening dat de rechtbank het bestreden besluit I terecht heeft vernietigd, zodat appellant een inhoudelijk besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 mei 2005 inzake de intrekking van de WW-uitkering met ingang van 12 januari 2004. Derhalve staat de terugvordering niet vast.

4. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt in het geding 06/3831 WW als volgt.

4.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij tijdens een gesprek op een kantoor van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mondeling bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de WW-uitkering met ingang van 12 januari 2004. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene evenwel verklaard dat dit gesprek heeft plaatsgevonden op een tijdstip voorafgaande aan 13 mei 2005, de datum van het primaire besluit. Derhalve kan aan dit mondelinge bezwaar geen betekenis worden toegekend voor de beoordeling of betrokkene tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 mei 2005. Voorts overweegt de Raad dat het beroep van betrokkene op paragraaf 6.1.3. van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 niet kan slagen, omdat dit Voorschrift betrekking heeft op een bezwaarschrift inzake een belastingaanslag of een beschikking van de inspecteur der belastingen en niet van -overeenkomstige- toepassing is op besluiten van appellant.

4.2. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bij verzending ter post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.3. De Raad stelt vast dat tussen partijen uitsluitend nog in geschil is of betrokkene het bezwaarschrift op 24 juni 2005, de laatste dag van de bezwaartermijn, ter post heeft bezorgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 4 maart 1998, LJN AN5739 en AB 1998, 348, komt als regel doorslaggevende betekenis toe aan het poststempel ten bewijze van de datum van de terpostbezorging. Het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift van betrokkene is verzonden geeft zondag 26 juni 2005 aan. Daaruit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat het bezwaarschrift bij een correcte afhandeling van de post door TPG Post op een tijdstip gelegen ná de postlichting op vrijdag 24 juni 2005 en vóór de postlichting op zondag 26 juni 2005 in de brievenbus moet zijn gedeponeerd. De echtgenote van betrokkene heeft ter zitting van de Raad evenwel herhaald dat zij het bezwaarschrift op 24 juni 2005 vóór de postlichting in de brievenbus heeft gedeponeerd en tevens verklaard dat dit omstreeks 15.30 uur, en dit derhalve ruimschoots vóór de postlichting van die dag, heeft plaatsgevonden. Zoals toegelicht ter zitting van de Raad, stelt betrokkene zich op het standpunt dat op die dag geen correcte bezorging door TPG Post heeft plaatsgevonden van de post, die was gedeponeerd in de bewuste brievenbus, dan wel dat de bezorging van zijn brief in het ongerede is geraakt. Naar het oordeel van de Raad kan niet zonder enige aanwijzing daarvoor worden uitgegaan van de juistheid van het standpunt van betrokkene dat een incorrecte postverwerking heeft geleid tot het poststempel van 26 juni 2005. De verklaring van de echtgenote van betrokkene hieromtrent acht de Raad een onvoldoende onderbouwing van zijn standpunt. Hoewel de Raad onderkent dat het voldoende onderbouwen van een dergelijk standpunt niet gemakkelijk is, had betrokkene na ontvangst van de hiervoor onder 1.1. genoemde brief van appellant van 29 juni 2005 zich in verbinding kunnen stellen met TPG Post om opheldering te krijgen over de bezorging van de post, gedeponeerd in de bewuste brievenbus, en meer in het bijzonder van zijn brief. De Raad is van oordeel dat betrokkene zijn standpunt niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve kan niet worden voorbij gegaan aan het poststempel van 26 juni 2005. Derhalve onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat betrokkene niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 mei 2005, zodat dit bezwaar bij het bestreden besluit I terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

4.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I slaagt en dat die uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, bepaalt dat het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond wordt verklaard.

4.5. De Raad overweegt met betrekking tot de aangevallen uitspraak in het geding 06/3830 WW als volgt.

4.6. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak II het standpunt van betrokkene, dat appellant ten onrechte geen dringende redenen aanwezig heeft geacht om van terugvordering af te zien, onbesproken gelaten omdat, gezien de vernietiging van het bestreden besluit I, de terugvordering niet vast staat. Nu de Raad tot het oordeel is gekomen dat de rechtbank het bestreden besluit I ten onrechte heeft vernietigd, is daarmee komen vast te staan dat aan betrokkene over de periode van 12 januari 2004 tot en met 4 april 2004 onverschuldigd WW-uitkering is betaald. De Raad ziet aanleiding deze zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank, zodat zij alsnog kan beoordelen of appellant al of niet terecht geen dringende redenen heeft aangenomen om van terugvordering af te zien, zoals betrokkene stelt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak I en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;

Vernietigt de aangevallen uitspraak II en wijst deze zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Almelo.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en B.M. van Dun en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J. Rentmeester.