Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
06-3187 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging WW-uitkering. Passend werk niet geaccepteerd zonder geldige reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3187 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 april 2006, 05/4429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor de oordeelsvorming van de Raad van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als transportplanner. In verband met nadien ingetreden werkloosheid is hem bij besluit van 4 mei 2005 met ingang van 2 mei 2005 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Een uitzendbureau heeft appellant verwezen naar een door [werkgever] te [vestigingsplaats] ([werkgever]) aangeboden tijdelijke functie. Appellant heeft geweigerd deze functie te aanvaarden, omdat dit een functie voor bepaalde tijd was.

2.2. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het Uwv met ingang van 30 mei 2005 de WW-uitkering beëindigd, omdat appellant hem aangeboden passend werk niet heeft geaccepteerd, zonder dat daarvoor een geldige reden was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2005 is bij besluit van 10 oktober 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW in verbinding met artikel 27, tweede lid, van deze wet. Ingevolge dit samenstel van wettelijke voorschriften dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Indien een werknemer deze verplichting niet nakomt weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daarbij beslissend het punt van geschil tussen partijen of de aangeboden functie wegens de bepaalde duur daarvan kan worden aangemerkt als passende arbeid. De rechtbank heeft het betoog van appellant niet gevolgd dat hij de bij [werkgever] aangeboden functie - naar hij stelt: in overleg met een CWI-medewerker - niet als passende arbeid hoefde te beschouwen, vanwege het tijdelijk karakter van die functie zonder uitzicht op een blijvende arbeidsplaats. Evenmin konden appellants stellingen bij de rechtbank doel treffen dat er nauwelijks of geen ruimte was om te solliciteren naar vast werk, terwijl hij bij [werkgever] zou werken, en dat er geen mogelijkheid was dat werk eerder te beëindigen voor ander vast werk. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit het onderzoek van het Uwv is gebleken dat [werkgever] hem niet zou verhinderen naar ander werk te solliciteren. Appellant beroept zich volgens de rechtbank vergeefs op contact met een CWI-medewerker ter rechtvaardiging van zijn handelwijze. Concluderend heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van belemmeringen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard waardoor de bij [werkgever] aangeboden functie voor appellant niet als passende arbeid in de zin van artikel 24 van de WW zou kunnen worden beschouwd. De rechtbank is derhalve het Uwv in zijn standpunt gevolgd dat appellant gehouden was deze functie te aanvaarden en dat hij eventueel vanuit deze arbeidsplaats had kunnen solliciteren naar een functie met (kans op) vast dienstverband. Appellants eigen voorkeur voor een dienstverband voor onbepaalde tijd doet volgens de rechtbank daaraan niet af.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als die waarop zijn beroep steunde. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden terecht heeft verworpen. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank als samengevat in 3. De Raad voegt daaraan toe dat het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep concreet heeft vermeld wat de aard van de contacten van appellant met de desbetreffende medewerker van het CWI is geweest, uit welke vermelding blijkt dat het niet aannemelijk is dat die medewerker mededelingen heeft gedaan van een stelligheid als waarvan appellant uitgaat. Hiertegenover heeft appellant onvoldoende gesteld. Reeds hierom kan de Raad appellant niet in zijn standpunt dienaangaande te volgen. Verder overweegt de Raad dat het feit dat appellant werkloos is geworden uit een lang in stand gebleven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en streefde naar wederom een vast dienstverband niet een omstandigheid is die dient te leiden tot het oordeel dat aan de zijde van appellant sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid.

4.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, waar appellant zijn persoonlijke omstandigheden ten tijde hier van belang heeft beschreven en de emotionele impact van de opgelegde maatregel heeft geschetst, overweegt de Raad voorts dat indien, zoals in het geval van appellant aan de orde is, vaststaat dat een verzekerde de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW verwijtbaar niet is nagekomen, het het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de bewoordingen van artikel 27, tweede lid, van de WW niet vrijstaat af te zien van het opleggen van een maatregel, dan wel de maatregel in duur te beperken. De Raad verwijst hiervoor naar zijn vaste rechtspraak, onder meer blijkend uit zijn uitspraken van 24 januari 2001, LJN AB0449, USZ 2001/74, RSV 2001/93 en 12 maart 2003, 00/4215 WW, LJN AL1591, RSV 2003/142. Appellants stelling dat het opleggen van de maatregel heeft geleid tot ernstig financieel nadeel vormt geen dringende reden om van het opleggen van die maatregel af te zien.

4.3. Het in 4.1. en 4.2. overwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J. Rentmeester.