Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
06-1556 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige na zes maanden. Geen herleving werknemerschap.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1556 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 januari 2006, 05/1306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

waaraan als derde partij heeft deelgenomen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: werkgever).

In hoger beroep heeft de werkgever als partij aan het geding deelgenomen.

Datum uitspraak: 23 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werkgever heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het Uwv heeft een door de Raad gestelde vraag beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2007. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De werkgever is verschenen bij mr. E. Weijer, advocaat te De Meern, en drs. F.E. Drossaert, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaande aangenomen feiten en omstandigheden.

2.1. Per 1 januari 2001 is appellant, die als senior beleidsmedewerker werkzaam was bij de gemeente [naam gemeente], als gevolg van een gemeentelijke herindeling, in dienst getreden bij de gemeente Utrecht in de functie van assistent wijkmanager voor 36 uur per week. Daarnaast had appellant een eenmanszaak, genaamd [naam eenmanszaak], blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en omstreken (hierna: KvK) gevestigd per 1 september 1999.

Bij brief van 15 april 2002 is appellant door de werkgever tijdelijk belast met niet tot zijn functie behorende werkzaamheden, waarvan de aard en omvang in nader overleg werden bepaald. Op 6 december 2002 is tussen appellant en de werkgever schriftelijk onder meer vastgelegd dat appellant vanaf 1 april 2002 gerechtigd is werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf te verrichten. Het dienstverband met de gemeente Utrecht is per 18 november 2003 beëindigd. Appellant heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier, gedateerd 17 september 2004, heeft appellant onder meer vermeld dat hij naast de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden werkzaamheden als zelfstandige verrichtte, dat hij in 1999 met die werkzaamheden is gestart en dat hij zijn bedrijf op 17 september 2004 heeft opgeheven en heeft laten uitschrijven uit het handelsregister van de KvK.

2.2. Bij besluit van 15 november 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het Uwv op dit bezwaar beslist. Bij nader besluit van 18 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 3 maart 2005 ingetrokken wegens gebleken onjuistheid en alsnog het bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat appellant per 18 november 2003 geheel werkzaam was in het eigen bedrijf, dat er niet gesproken kan worden van werk als beginnend zelfstandige en dat die werkzaamheden niet binnen de in artikel 8, vierde lid, van de WW genoemde herlevingstermijn zijn beëindigd, zodat geen recht op WW-uitkering meer bestaat.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, en beslissingen genomen ter zake van de vergoeding aan appellant van door hem gemaakte proceskosten en betaald griffierecht. Zij heeft daarbij in de eerste plaats overwogen dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat appellant ten onrechte niet is gehoord door het Uwv alvorens het bestreden besluit te nemen. Reeds om die reden diende het bestreden besluit naar haar oordeel te worden vernietigd. Tevens heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven omdat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige niet binnen de termijn van anderhalf jaar, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WW, heeft beëindigd. Zij heeft daarbij de datum van uitschrijving van de eenmanszaak bij de KvK, te weten 17 september 2004, genomen als datum waarop appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige volledig heeft beëindigd. Tot slot heeft de rechtbank zich niet verenigd met het standpunt van het Uwv, dat dient te worden bezien of de herlevingstermijn van artikel 8, vierde lid, van de WW van toepassing is en dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep wederom op het standpunt gesteld dat hij, gelet op artikel 8, tweede lid, van de WW, na beëindiging van zijn werkzaamheden als zelfstandige zijn werknemerschap heeft herkregen en derhalve in aanmerking komt voor een WW-uitkering per 17 september 2004. Hij heeft er daartoe op gewezen dat hij op

18 november 2003 zijn hoedanigheid van werknemer heeft verloren omdat hij met ingang van die datum alleen als zelfstandige werkzaam was. Door zijn werkzaamheden per 22 april 2004, dan wel per 17 september 2004 te beëindigen, heeft hij, naar hij heeft gesteld, zijn werkzaamheden als zelfstandige binnen een tijdvak van anderhalf jaar na verlies van zijn werknemerschap beëindigd.

4.2. Zowel het Uwv als de werkgever hebben zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige vóór 18 november 2003 is begonnen, op zijn vroegst per 1 september 1999 en op zijn laatst per 1 april 2002, zodat de termijn van anderhalf jaar, genoemd in artikel 8, tweede lid, van de WW, reeds was verlopen op de datum van ontslag.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Gelet op de door partijen in hoger beroep betrokken standpunten is in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2. Uit de voorhanden zijnde gegevens volgt naar het oordeel van de Raad dat appellant in 1999 zijn eenmanszaak is gestart en dat hij daarin in de daarop volgende jaren werkzaamheden heeft verricht. De Raad wijst daartoe op het verzoek van appellant van 1 december 2000, gericht aan de werkgever, om met ingang van de datum van zijn overgang van de gemeente [naam gemeente] naar de werkgever nevenwerkzaamheden in het kader van zijn bedrijf te mogen blijven verrichten. Appellant heeft daarbij vermeld dat die werkzaamheden qua omvang bescheiden zijn en tot dan toe bij benadering niet meer hebben bedragen dan gemiddeld maximaal één dagdeel per week, buiten zijn werktijden, meestal in avond- of weekenduren. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat appellant op 18 november 2003, de dag waarop het recht op WW-uitkering is ontstaan, niet is te beschouwen als een startende zelfstandige, zodat er geen aanleiding bestaat om de in geding zijnde vraag of appellant de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, te toetsen aan artikel 8, tweede lid, van de WW.

5.3. Vervolgens moet worden bezien of appellant op en na 18 november 2003 met inachtneming van artikel 8, vierde lid, van de WW de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen. Deze bepaling stelt dat, onverminderd het tweede en derde lid van dat artikel, de persoon na afloop van de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd de hoedanigheid van werknemer herkrijgt indien deze werkzaamheden niet langer hebben geduurd dan zes maanden.

5.4. Uit de voorhanden zijnde gegevens moet worden opgemaakt dat appellant tot het eind toe volop heeft getracht opdrachten te verwerven. Het verwerven van opdrachten is inherent aan het ondernemerschap en is als het verrichten van werkzaamheden aan te merken. De Raad moet dan ook tot de conclusie komen dat appellant eerst vanaf

17 september 2004, de datum waarop hij formeel zijn bedrijf heeft beëindigd, geen werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Appellant heeft zijn stelling dat hij na 22 april 2004 geen werkzaamheden meer heeft verricht en de periode van 19 februari 2004 tot en met 22 april 2004 heeft benut om zijn bedrijf af te bouwen, niet genoegzaam aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de directeur van [naam B.V.] heeft verklaard dat hem niet is gebleken dat appellant in het jaar 2004 na 22 april nog inkomsten heeft genoten, acht de Raad daarvoor onvoldoende. Derhalve kan appellant, gelet op de termijn van artikel 8, vierde lid, van de WW, het werknemerschap niet herkrijgen.

5.5. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat appellant de hoedanigheid van werknemer niet heeft herkregen. De aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven, dient, zij het met verbetering van gronden, te worden bevestigd. Het hoger beroep treft derhalve geen doel.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.J. Rentmeester.