Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
06-3420 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Geen onderzoek door het Uwv naar de mogelijkheid om aangeboden werk te combineren met ander werk (alpha-hulp); geen onderzoek naar nieuwe werkomgeving (lawaaierige fabriekshal met mogelijke verergering van migraineklachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3420 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2006, 05/6098 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.C. Mourits, advocaat te Reeuwijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellante was sinds 1 maart 1999 als telefoniste/receptioniste voor 16 uur per week werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) [werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Daarnaast werkte zij nog gedurende twee ochtenden per week als alphahulp.

Omdat de functie telefoniste/receptioniste in 2004 kwam te vervallen, heeft de werkgever aan appellante de functie van medewerker fulfilment, bestaande uit inpakwerk in een fabriekshal, aangeboden. Dit aanbod is door appellante (en haar collega die de functie samen met haar in een duo-baan vervulde) niet aanvaard. De arbeidsovereenkomst is daarna op verzoek van de werkgever door de kantonrechter bij beschikking van 31 januari 2005 met ingang van 1 maart 2005 ontbonden, met toekenning van een vergoeding aan appellante van een bedrag van € 4.150,44 bruto.

2.2. Op 17 februari 2005 heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 19 april 2005 is de uitkering bij wijze van maatregel per 1 maart 2005 blijvend geheel geweigerd omdat appellante het door de werkgever aangeboden passend werk niet heeft aanvaard en zij in haar verweer bij de kantonrechter niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan, waardoor zij verwijtbaar werkloos is geworden. Bij het bestreden besluit van 27 juli 2005 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat het werkloosheidsrisico is ingetreden doordat appellante het aangeboden passend werk niet heeft aanvaard. Voorts heeft het Uwv overwogen dat het beroep van appellante op schending van het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat aan de oud-collega met wie zij de duo-baan vervulde ten onrechte een WW-uitkering is toegekend en het bestuursorgaan niet hoeft voort te borduren op een foutieve beslissing. Het Uwv heeft tevens overwogen dat van omstandigheden die wijzen op een verminderde verwijtbaarheid niet is gebleken.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Ter zake van de door appellante gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank het Uwv gevolgd. Ten aanzien van de passendheid van de aangeboden arbeid heeft de rechtbank overwogen dat de afwijzing van het werkaanbod alleen aanvaardbaar is indien kan worden vastgesteld dat appellante, wetende dat werkloosheid dreigde, zowel tijdig als in voldoende mate, ander werk is gaan zoeken. Nu daarvan niet is gebleken heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante, zoal niet kan worden volgehouden dat zij passende arbeid heeft geweigerd, dan toch in elk geval onvoldoende mate heeft getracht arbeid te verkrijgen. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv terecht besloten heeft de werkloosheidsuitkering blijvend geheel te weigeren.

4. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat het door de werkgever aangeboden werk voor haar niet passend is en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat aan een collega, die in dezelfde omstandigheden verkeerde als appellante, wel een WW-uitkering is toegekend.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht de WW-uitkering aan appellante blijvend geheel heeft geweigerd omdat zij, in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Op basis van de voorhanden gedingstukken staat vast dat de werkgever aan appellante de functie van medewerker fulfilment heeft aangeboden en dat appellante het aanbod voor deze functie heeft afgewezen. De Raad ziet in de afstand van het woonadres van appellante naar de werkplek, alsmede in het feit dat het salaris gelijk blijft geen omstandigheden om het aangeboden werk om die redenen niet passend te achten. Gelet evenwel op de omstandigheid dat het werkzaamheden betreft waarbij volgens appellante geen vaste werktijden zijn vastgesteld en op het feit dat zij gedurende twee ochtenden per week als alphahulp werkzaam is, staat -nu daarnaar door het Uwv geen onderzoek is verricht- naar het oordeel van de Raad niet vast dat het voor appellante mogelijk was het aangeboden werk te combineren met het werk als alphahulp. Voorts is gebleken dat het Uwv, anders dan in de rapportage van 8 april 2005 aangegeven, de resultaten van het gesprek met de werkgever niet met appellante heeft besproken en dat het bezwaar van appellante in verband met haar (met medische gegevens onderbouwde) migraineklachten, die door de werkomgeving in een lawaaierige fabriekshal zouden kunnen worden verergerd, niet nader is onderzocht. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de van belang zijnde feiten en omstandigheden, zodat niet kan worden vastgesteld of het aan appellante aangeboden werk als passend kan worden beschouwd.

5.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellante zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, in totaal derhalve

€ 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 juli 2005;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J. Rentmeester.