Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06-3978 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3978 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 juni 2006, 05/7973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is van 1 juni 2000 tot en met 21 april 2005 als interieurverzorger in dienst geweest bij [naam B.V.], voorheen [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 21 april 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever met ingang van 22 april 2005

ontbonden. Gelet op hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht en gezien de over en weer gemaakte verwijten achtte de kantonrechter een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoren. Omdat volgens de kantonrechter de verstoring van de arbeidsverhouding geheel in de risicosfeer van appellant ligt was er geen aanleiding hem een vergoeding ten laste van de werkgever toe te kennen.

1.3. Op 11 mei 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke hem bij besluit van 19 augustus 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel is geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 18 oktober 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat appellant zich gedurende een langere periode dusdanig heeft gedragen dat hij wist dat hij hiermee zijn dienstverband in gevaar bracht. De kantonrechter stelde vast dat appellant herhaaldelijk niet op het werk verscheen om zijn arbeid te verrichten, hoewel appellant door de arbo-arts volledig hersteld was verklaard. Verder blijkt volgens het Uwv uit het verzoekschrift dat de werkgever bij de kantonrechter heeft ingediend, dat appellant zich heeft misdragen bij de arbo-dienst omdat hij het niet eens was met de hersteldverklaringen, hij zich schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbaar gedrag op het kantoor van de werkgever en dat hij zonder bericht niet op het werk verscheen. Ondanks diverse waarschuwingsbrieven heeft appellant in verwijtbaar gedrag jegens de werkgever volhard, waarop de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Appellant betwist de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit en voorts meent hij zich niet verwijtbaar ten opzichte van zijn werkgever te hebben gedragen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De vraag of het bestreden besluit van 18 oktober 2005 in rechte stand kan houden beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, bevestigend. De Raad is bij het vormen van zijn oordeel uitgegaan van het beeld van het gedrag van appellant zoals weergegeven in de beschikking van de kantonrechter waartegenover appellant onvoldoende objectiveerbare gegevens heeft ingebracht ten bewijze dat dat beeld niet in overeenstemming met de werkelijkheid is. De Raad heeft daaruit afgeleid dat appellant zich niet aan de regels van de werkgever heeft gehouden en dat hij hiermee de arbeidsrelatie met zijn werkgever op het spel heeft gezet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant herhaaldelijk niet op afspraken bij de bedrijfsarts is verschenen, dat hij na gehele of gedeeltelijke hersteldverklaringen door de arbo-arts niet aan het werk is gegaan en dat hij de bedrijfsarts onheus heeft bejegend. Ook heeft appellant zonder toestemming vrije dagen opgenomen en zijn leidinggevende bedreigd. De werkgever heeft appellant op zijn gedrag aangesproken en gewaarschuwd bij een tien-tal brieven, waaronder een aantal met ontslagdreiging. De laatste waarschuwingsbrief dateerde van 10 november 2004. Voorzover appellant stelt een aantal waarschuwingsbrieven en oproepen van de bedrijfsarts niet te hebben ontvangen overweegt de Raad nog dat dat voor zijn risico komt nu gebleken is dat appellant op steeds wisselende adressen verbleef.

4.2. Op grond van het vermelde samenstel van gedragingen is de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn werkgever het vertrouwen in hem zou verliezen en tot beëindiging van de dienstbetrekking zou overgaan. Het Uwv heeft daarom terecht aangenomen dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, heeft overtreden. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW was het Uwv in beginsel gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren. Nu niet is gebleken dat het nakomen van genoemde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten en evenmin is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, is de Raad van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft geweigerd aan appellant uitkering ingevolge de WW toe te kennen.

4.3. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.