Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-3534 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geschikt voor eigen werk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3534 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 april 2005, 04/1683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Raaijmakers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser was van 19 augustus 2002 tot 19 februari 2003 werkzaam. als koerier voor 40 uur per week. Eiser heeft zich op

21 april 2003 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld in verband met depressieve klachten. Ter beoordeling van eisers mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, te weten 18 april 2004, heeft op 29 januari 2004 verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld. Aan de hand hiervan is op 31 maart 2004 arbeidskundig onderzoek verricht. Eiser wordt geschikt geacht voor de eigen maatgevende arbeid. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 2 april 2004 eiser een WAO-uitkering geweigerd, omdat hij per die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht."

Bij besluit van 2 september 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uiteengezet waarom de rechtbank het eens is met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid en met het daaruit voorvloeiend arbeidskundig oordeel dat appellant zijn eigen werk als koerier weer kon doen op de datum in geding,

19 april 2004.

In hoger beroep heeft mr. Raaijmakers het oordeel van de rechtbank bestreden en een verklaring van de behandelend psychiater M. Bartel overgelegd inhoudende dat appellant een depressie heeft met psychotisch kenmerken, een zeer ernstige psychiatrische aandoening.

De bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft in een rapport van 1 november 2006 erop gewezen dat uit deze verklaring niet kan worden opgemaakt dat van een dergelijke aandoening al spake was op de datum in geding.

Mr. Raaijmakers heeft vervolgens bij brief van 1 december 2006 overgelegd een brief van 2 oktober 2006 van de psychiater M. Bartel aan de verzekeringsarts van het Uwv M.A.J. Haenjens, waaraan de Raad het volgende ontleent:

"Mijn patiënt de heer E.M. EI Mesbahi lijdt aan een schizo-affectieve stoornis, paranoïde type. De prognose is niet goed, er is een lichte verbetering opgetreden door gebruik medicatie. Toen patiënt op 29-03-2005 kwam, was het al zo, ik weet niet precies wanneer ontstaan of verergerd is.

Anamnestisch is het na auto ongeluk december 2003 is het erger geworden, bij intake had hij al een psychotische beleving."

Het Uwv heeft daarop in een brief van 14 december 2006 gereageerd met het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe informatie en dat deze informatie geen betrekking heeft op de datum 19 april 2004.

Bij brief van 13 april 2007 heeft mr. Raaijmakers een besluit van het Uwv van 8 december 2006 overgelegd. Hierin wordt vastgesteld dat appellant vanaf 30 april 2004 arbeidsongeschikt is geworden en dit gedurende vier weken is gebleven. Met ingang van 29 mei 2004 wordt hem een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gelet op het betrekkelijk kort tijdsverloop tussen 19 april 2004 en 30 april 2004 en de omstandigheid dat niet is gesteld of gebleken dat zich in dat tijdvak een ingrijpende verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant heeft voorgedaan, is de Raad van oordeel dat onbegrijpelijk is waarom het Uwv appellant op 19 april 2004 niet arbeidsongeschikt acht en appellant 10 dagen na de datum in geding zonder enige redegeving wel arbeidsongeschikt acht. De gemachtigde van het Uwv heeft een en ander desgevraagd ter zitting ook niet kunnen toelichten.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de onderhavige schatting wat betreft de motivering ervan onvoldoende grondslag vindt in de feiten en dat het bestreden besluit hierdoor een deugdelijke motivering ontbeert, hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen daarom niet in stand blijven.

Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.