Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-3555 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO- uitkering toe te kennen. Maatman?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3555 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2005, 04/3544 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J.G. Schouenberg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 5 mei 2007 nog nadere gronden ingediend en een stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde, mr. Schouenberg, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van die datum een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 22 juni 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan volgen dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen niet juist heeft vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante niet geschikt te achten is voor haar eigen werk als koffiedame. Appellante was dan ook volgens de rechtbank bij aanvang verzekering en per einde wachttijd geschikt voor haar eigen werk.

In hoger beroep heeft appellante zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

De medische gegevens die beschikbaar zijn met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, 9 oktober 2003, wijzen geenszins in de richting dat appellante op die datum door ziekte of gebrek dusdanig beperkt was dat zij haar werk niet kon doen. Ook de brief van 27 september 2002 van dr. D.C. Cath, psychiater bij GGZ buitenamstel maakt dit niet anders aangezien deze brief geen betrekking heeft op de datum in geding. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft in de rapportage van

16 februari 2004 geconstateerd dat de paniekstoornis met depressieve kenmerken al negen jaar bestaan. Hieruit concludeert de Raad dat appellantes ziekte al bestond voor aanvang van haar werkzaamheden als koffiedame. Er zijn geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand op de datum in geding is gewijzigd.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt de Raad het volgende.

Blijkens zijn rapportage van 25 februari 2004 achtte de arbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes appellante, gelet op haar beperkingen, primair geschikt voor haar maatgevende arbeid als koffiedame. De functie van inpakker T-shirts heeft appellante zeer kortdurend verricht en kan dan ook niet als maatgevend worden aangemerkt. Deze functie is naar het oordeel van de Raad terecht niet geschikt geacht voor appellante nu zij uitviel vanwege de belasting in het reizen naar en van de werkplek.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid brengt in beginsel met zich dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is evenwel anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

In het geval van appellante is de maatman de koffiedame. De Raad acht het zonder meer aannemelijk dat ten tijde van de datum in geding soortgelijk werk bij in elk geval andere werkgevers met eenzelfde belasting en beloning in voldoende mate aanwijsbaar was. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de omschrijving van de maatman in het rapport van Neefjes niet kan worden gezegd dat de maatmanfunctie geen gangbare functie is.

Het Uwv heeft derhalve bij het bestreden besluit terecht het primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat appellante met ingang van 9 oktober 2003 geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten en dat haar per die datum geen arbeidsongeschiktheidsuitkering kon worden toegekend.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.