Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06-6625 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk. Niet-tijdig indienen gronden niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6625 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2006, 06/4127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Wildeboer, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Namens appellante is verschenen mr. Wildeboer, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 30 juni 2006, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 februari 2006.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gronden van het beroep te laat zijn ingediend. Tevens is de rechtbank niet gebleken dat het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar is te achten.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het te laat indienen van de gronden, in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

In hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen. De Raad tekent daarbij aan dat appellante nadat zij bij brief van 7 september 2006 de onderliggende stukken van de rechtbank had ontvangen nog tijdig, dat wil zeggen: voor 12 september 2006, gronden had kunnen indienen danwel een verzoek om uitstel had kunnen indienen. In hoger beroep heeft appellante aangegeven dat zij reeds op 19 augustus 2006 de gevraagde stukken via het Uwv had ontvangen. Hieruit leidt de Raad af dat appellante in feite nog meer tijd heeft gehad om tijdig de gronden van het beroep in te dienen. De stelling dat appellante meer tijd nodig had om de gronden in te dienen omdat zij advies wilde inwinnen bij deskundigen, doet niet af aan het feit dat appellante tijdig om uitstel had kunnen vragen voor het indienen van de gronden. Dat appellante dit heeft nagelaten komt voor haar eigen rekening en risico.

De Raad wil tevens opmerken dat appellante al bij de rechtbank had kunnen aangeven waarom de gronden te laat waren ingediend aangezien op de kennisgeving van de zitting was vermeld dat uitsluitend aan de orde zou komen of het beroep ontvankelijk was en dat het daarbij ging om het niet (tijdig) indienen van de beroepsgronden.

Het beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 oktober 1993, NJ 1994/534, slaagt niet, omdat de daarin behandelde zaak niet vergelijkbaar is met de nu voorliggende zaak van appellante. De Raad tekent daarbij tevens aan dat uit de onderhavige gang van zaken niet blijkt dat appellante achtergesteld is, nu appellante tijdig voor het verstrijken van de termijn de gevraagde stukken heeft ontvangen. Appellante had, zoals al eerder is opgemerkt, de gelegenheid om uitstel te vragen voor het indienen van de gronden en heeft dit om haar moverende redenen achterwege gelaten.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.