Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-3527 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Zorgvuldigheid. Gang van zaken tijdens hoorzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2005, 04/3029 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. Schenke, advocaat te Malden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. M.J.M. Willems, advocaat te Malden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 oktober 2004: verder het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 13 mei 2004, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellante met ingang van 24 mei 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank het medisch onderzoek dat is verricht door de artsen van het Uwv niet onzorgvuldig acht. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante.

De functies die aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd acht de rechtbank in medisch opzicht geschikt.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

Wat betreft de grief met betrekking tot de gang van zaken tijdens de hoorzitting op

7 oktober 2004 stelt de Raad vast dat volgens het verslag van de hoorzitting aan een kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante is medegedeeld dat deze drie weken de tijd zou krijgen om de medische bezwaren schriftelijk toe te lichten en dat is afgesproken dat de machtiging om nadere informatie bij de huisarts op te vragen binnen een week zou worden teruggezonden.

De Raad stelt vast dat noch het een noch het ander is gebeurd binnen de daartoe gestelde termijnen en dat ook niet om verlenging daarvan is verzocht. Onder deze omstandigheden kon en mocht het Uwv op 29 oktober 2004 het bestreden besluit afgeven.

Voorts valt niet in te zien waarom het journaal van de huisarts, dat in hoger beroep is overgelegd, niet reeds in de procedure bij de rechtbank in geding had kunnen worden gebracht.

Wat betreft de vastgestelde belastbaarheid overweegt de Raad dat het door de gemachtigde aangevoerde over klachten van allergie, een jeukende huid, eczeem en overgevoeligheid voor zonlicht geen steun vindt in het overgelegde journaal van de huisarts waarin wat betreft het jaar 2004 en daarna niet wordt gerept van het bestaan van dergelijke klachten bij appellante. Van het bestaan van die klachten en van oogklachten heeft appellante ook geen melding gemaakt bij de verzekeringsarts.

Wat betreft de grief met betrekking tot appellantes oogklachten bij werkzaamheden in de geselecteerde functies overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers in zijn rapport van 2 augustus 2005 erop wijst dat het hier gaat om een al jaren bestaande afwijking, waarmee appellante al die tijd heeft gewerkt. De Raad voegt daaraan toe dat volgens het rapport van de arbeidsdeskundige F.D.L. Cuppen van 12 mei 2004 appellante in het verleden onder meer als assemblagemedewerkster, als strijkster, als medewerkster van een kippenslachterij, als champignonplukster en als productiemedewerkster heeft gewerkt. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante bij deze werkzaamheden problemen heeft ondervonden in verband met haar ogen.

Voorts overweegt de Raad naar aanleiding van het verhandelde ter zitting dat alleen de derde van de drie eerste geselecteerde functie(bestandscode)s, waarop de schatting is gebaseerd, de machinaal metaalbewerker (264122), een belasting (nummer 43) bevat met betrekking tot persoonlijk risico in verband met het werken met beveiligde machines.

Indien die functie wordt vervangen door de eveneens geselecteerde en voorgehouden functie wasserijmedewerkster brengt dat geen verandering in de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.