Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-428 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschikt voor eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/428 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2004, 02/4360 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brieven van 20 september 2006, 5 april 2007 en 17 april 2007 stukken overgelegd. Voorts heeft hij naar aanleiding van een verzoek van de Raad bij brief van 26 april 2007 een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Appellant heeft ter zitting een foto van zichzelf getoond.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van appellant met ingang van 8 oktober 2001 ingetrokken, aangezien appellant met ingang van deze datum geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk als assistent-conciërge gedurende 32 uur per week. Bij besluit van 22 augustus 2002, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat zij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding heeft gevonden om te oordelen dat het Uwv ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat appellant op de datum in geding, 8 oktober 2001, zijn werk als assistent-conciërge weer kon doen.

Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

In al hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

Hetgeen appellant over zijn ziekte heeft aangevoerd berust in hoofdzaak op via Internet verkregen algemene informatie over psoriasis en artritis psoriatica. Daaruit kan niets worden afgeleid over de gezondheidstoestand van appellant zijn belastbaarheid op 8 oktober 2001.

De medische gegevens die beschikbaar zijn met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant op 8 oktober 2001 wijzen geenszins in de richting dat appellant op die datum door ziekte of gebrek dusdanig beperkt was dat hij zijn werk niet kon doen.

De Raad wijst daarbij met name op de inhoud van de brief van 9 augustus 2001 van de revalidatiearts H. Konijnenbelt en de brief van 10 april 2001 van de arts-assistent revalidatie S.R. van Manen aan de huisarts. In die laatste brief wordt vermeld dat bij lichamelijk onderzoek psoriasis wordt geconstateerd maar dat geen afwijkingen in de beweeglijkheid van de gewrichten en geen neurologische afwijkingen zijn vastgesteld.

Evenmin is de Raad gebleken dat het medisch onderzoek door het Uwv in het geval van appellant onvoldoende zorgvuldig is geweest.

Uit de stukken blijkt dat de verzekeringsarts R.J. van Pinxteren appellant in januari 2001 nog arbeidsongeschikt achtte omdat hij van oordeel was dat er, afgezien van de psoriasis, bij appellant ook sprake was van een post-commotioneel syndroom met somatisatieneiging en depressieve kenmerken waardoor hij appellant toen nog niet in staat achtte om weer te gaan werken.

De Raad acht noch onbegrijpelijk noch onzorgvuldig dat de verzekeringsarts E.G.H.M. Lentjes in oktober 2001 na eigen onderzoek en na ontvangst van de hiervoor genoemde brieven, waaruit ook nog blijkt dat er bij appellant van een depressie geen sprake was, heeft geoordeeld dat, uitsluitend de reeds lang bestaande psoriasis, geen belemmering behoefde te zijn voor appellant om zijn arbeid te hervatten.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.