Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06-4082 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond. Het schrijven van betrokkene had moeten worden aangemerkt als een verzoek om uitstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4082 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juli 2006, 05/6693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van

22 november 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 22 november 2006 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld op 11 april 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 22 november 2006 berust hierop, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.

De Raad stelt vast dat

a. appellant bij aangetekend schrijven van 16 augustus 2006 er op is gewezen dat het griffierecht vóór 23 september 2006 dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie te zijn gestort.

b. appellant bij schrijven van 5 oktober 2006, waarmee, gelet op de datum van ontvangst door de Raad van 11 september 2006, bedoeld zal zijn 5 september 2006, en derhalve vóór 23 september 2006, de Raad er op gewezen heeft dat hij door het grote financiële verlies in een Wsnp-traject (Wet Schuldsanering natuurlijke personen) is geraakt.

In verzet heeft appellant nogmaals gewezen op zijn Wsnp-situatie en ter zitting heeft appellant verklaard dat zijn aanvraag op 26 april 2007 door de rechtbank zal worden behandeld.

De Raad is van oordeel dat bovengenoemd schrijven van appellant als een verzoek om uitstel had moeten worden aangemerkt, waarop enigerlei reactie van de Raad had behoren te volgen. Een verlenging van de gestelde betalingstermijn zou daarbij tot de mogelijkheden hebben behoord.

Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard.

Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 22 november 2006 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Van door appellant in verband met de verzetprocedure gemaakte proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.