Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-3269 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Minder dan 15% arbeidsongeschikt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3269 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2005, 04/806 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.L.D. Thomas, kantoorgenoot van mr. Liefting, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 29 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is. Bij besluit van 16 maart 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat zij uit de beschikbare medische gegevens heeft afgeleid dat appellant met enige beperkingen in staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid. De functies alsmede de maatgevende arbeid zijn naar het oordeel van de rechtbank geschikt voor appellant, nu het arbeid betreft waartoe appellant met de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen in staat is. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven grotendeels herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

Wat betreft de grief met betrekking tot het verzoek om de zaak aan te houden om de behandelend psycholoog van appellant de gelegenheid te geven te rapporteren overweegt de Raad het volgende. De Raad is van oordeel dat er voldoende medische gegevens in het dossier aanwezig zijn om tot een afgewogen oordeel te komen. De Raad stelt verder vast dat appellant zeer recentelijk onder behandeling is gekomen bij deze psycholoog zodat zij weinig zal kunnen aanvoeren over de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, 29 juni 2003. Het verzoek om aanhouding wordt dan ook afgewezen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.