Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
05-3928 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Overschrijding redelijke termijn. Schadevergoeding. Uitlooptermijn/aanzegging bij einde wachttijdsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3928 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

G E R E C T I F I C E E R D E U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2005, 04/1813 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Stuiver, kantoorgenoot van mr. Van Ham voornoemd en door haar echtgenoot [naam echtgenoot] als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

Appellante werkte laatstelijk als inpakster bij een bedrijf in vochtvreters. Nadat zij werkloos was geworden doordat het bedrijf failliet ging, is haar met ingang van

27 maart 1995 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend.

Op 17 september 1997 heeft appellante zich vanuit de werkloosheidssituatie ziek gemeld vanwege rugklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), heeft haar bij besluit van 25 november 1997 medegedeeld dat er bij haar geen beperkingen meer bestonden om gangbare arbeid te verrichten en dat zij met ingang van 21 november 1997 geen recht meer had op ziekengeld. Hierover zijn bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd die er, na een uitspraak van deze Raad van 9 april 2002, nr. 00/871 ZW, uiteindelijk toe hebben geleid dat aan appellante alsnog een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend tot 16 september 1998. Appellante heeft aansluitend een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd.

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per

16 september 1998 een WAO-uitkering toe te kennen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 16 september 1998, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor de werkzaamheden verbonden aan haar eigen vroegere werk als inpakster. Daarnaast is zij ook geschikt geacht voor een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft ten aanzien van de medische onderbouwing van het bestreden besluit overwogen dat de beperkingen van appellante juist zijn ingeschat. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, maar omdat dit werk niet meer bestaat moet er volgens de rechtbank nagegaan worden of er ander soortgelijk werk op de arbeidsmarkt voorkomt met dezelfde belasting en beloning.

Een van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies is de functie inpakster van koekjes. Volgens de rechtbank voldoet die functie aan de voorwaarde dat de belasting in die functie grotendeels overeenkomt met de belasting in de vroegere functie van appellante. Voorts kan appellante met die functie tenminste hetzelfde verdienen als in het verleden met haar eigen werk als inpakster van vochtvreters. Nu appellante geschikt is te achten voor haar eigen werk kan naar het oordeel van de rechtbank toetsing aan de overige geselecteerde functies achterwege blijven.

Namens appellante is aangevoerd dat het Uwv in de bezwaarprocedure de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft overschreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen het indienen van het bezwaarschrift op 6 maart 2003 en het nemen van het bestreden besluit op 1 juni 2004 vijftien maanden zijn gelegen. De wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op een bezwaarschrift bedraagt zeventien weken. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het Uwv bij het nemen van zijn besluit de wettelijke termijn ruimschoots heeft overschreden, deze overschrijding niet zodanig is dat appellante daarmee onredelijk lang van de toegang tot de rechter is afgehouden, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Om die reden kan deze grond volgens de rechtbank niet tot een gegrondverklaring van het beroep leiden.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

De Raad stelt vast dat de gehele procedure vanaf de datum dat het bezwaar tegen het bestreden besluit is ingediend tot de datum van deze uitspraak ruim vier jaar heeft geduurd. Noch in de aard van de onderhavige procedure, noch in de opstelling van appellante is een rechtvaardiging te vinden voor deze lange duur, zodat de Raad dan ook tot het oordeel komt dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. De namens appellante aangevoerde grief over de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM richt zich met name tegen het aandeel van het Uwv dat er 15 maanden over heeft gedaan om een beslissing op het bezwaar te nemen.

Namens appellante is ter zitting van de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade ten gevolge van de door toedoen van het Uwv ontstane vertraging, tot een bedrag van € 2.000,-. Daarbij is opgemerkt dat de procedure over de WAO-uitkering nu ruim 4 jaar loopt maar dat de periode dat appellante geen uitkering krijgt al veel langer duurt.

De Raad is evenwel van oordeel dat voor de bepaling van de periode waarmee de redelijke termijn is overschreden als begindatum moet worden aangeknoopt bij de datum van het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit in de onderhavige procedure van 27 januari 2003. De Raad acht de overschrijding van de redelijke termijn, voor zover toe te rekenen aan het Uwv, niet zodanig dat hiervoor het gevraagde bedrag aan schadevergoeding zou moeten worden toegekend en begroot de schade op € 500,-, door het Uwv te betalen aan appellante. Om deze reden komt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De Raad heeft zich voorts beraden over de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven en beantwoordt deze vraag op grond van het navolgende bevestigend.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist moet worden geacht en onderschrijft de hiertoe in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen.

Ter zitting van de Raad is van de zijde van appellante benadrukt dat het Uwv een onjuist beeld heeft gehad van de belasting in de eigen vroegere functie van appellante als inpakster van vochtvreters. De belasting in die functie zou veel zwaarder zijn geweest dan het Uwv heeft aangenomen, met name ten aanzien van de aspecten tillen en dragen en duwen en trekken. Hierdoor is de vroegere functie van appellante niet te vergelijken met de functie van inpakster koekjes die veel lichter is. Namens appellante is er voorts op gewezen dat in de procedure over het ziekengeld ook al een discussie is gevoerd over de geschiktheid van de maatmanarbeid. Appellante heeft die procedure destijds gewonnen en aan haar is uiteindelijk over het eerste ziektejaar alsnog een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Het Uwv wil, aldus appellantes gemachtigde, die discussie ten onrechte opnieuw openen.

De gemachtigde van het Uwv heeft daarop ter zitting van de Raad gereageerd met de opmerking dat destijds in de uitspraak van deze Raad over het ziekengeld niet is vastgesteld dat het eigen werk ongeschikt was. Het ging er toen om dat er een verkeerde uitleg was gegeven van het in artikel 19 van de Ziektewet neergelegde begrip “zijn arbeid” omdat appellante geschikt werd verklaard voor gangbare arbeid terwijl er beoordeeld had moeten worden of zij haar eigen werk nog kon verrichten. Het Uwv heeft er na die uitspraak voor gekozen om alsnog ziekengeld toe te kennen, maar had er ook voor kunnen kiezen om alsnog een onderzoek naar de geschiktheid van het eigen werk in te stellen. Bij de WAO-beoordeling is dat wel gebeurd en daarbij is het Uwv tot de conclusie gekomen dat het eigen werk in overeenstemming is met appellantes belastbaarheid.

De Raad onderschrijft de opmerking dat in de procedure over de Ziektewet-uitkering de vraag of het eigen vroegere werk van appellante al dan niet geschikt was niet aan de orde is gekomen. Die vraag behoeft echter naar het oordeel van de Raad in deze WAO-procedure niet alsnog te worden beantwoord. De Raad stelt immers vast dat in verschillende arbeidskundige rapporten wordt vermeld dat het eigen werk niet geschikt is, te weten in het rapport van 17 mei 2004 en in het rapport van 27 maart 2007. Volgens de gemachtigde van het Uwv gaat het hierbij om verschrijvingen. De Raad overweegt dat onduidelijk is gebleven of het hier inderdaad verschrijvingen betreft, maar stelt tevens vast dat het bestreden besluit ook is gebaseerd op het standpunt dat appellante geschikt is voor een aantal uit het Functie Informatie Systeem geselecteerde functies. Gelet hierop zal de Raad zich beperken tot de vraag of het bestreden besluit gebaseerd kan worden op deze subsidiaire grond.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante aangegeven het eerder vermelde arbeidskundige rapport van 27 maart 2007 niet te hebben ontvangen. Hij heeft verzocht om, als dit rapport relevant blijkt voor de beoordeling, hem nog in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. In dit rapport wordt ingegaan op de vraag of het eigen vroegere werk van appellante en de functie van inpakker koekjes voldoende vergelijkbaar zijn. Nu uit vorenstaande overwegingen volgt dat die vraag niet aan de orde komt omdat deze niet relevant is bij de beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies, is naar het oordeel van de Raad een nadere reactie op het rapport door de gemachtigde van appellante niet noodzakelijk.

Naar het oordeel van de Raad is de belasting in de voor appellante geselecteerde functies in overeenstemming met de vastgestelde belastbaarheid. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de rapportage van de bezwaarverzekereringsarts T.E. Greven en de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe van 17 mei 2004 is toegelicht, waarom de met een asterisk gemerkte functies, ondanks dat de belasting in die functies op onderdelen afwijkt van de belastbaarheid van appellante, zoals verwoord in het belastbaarheidspatroon, niettemin voor appellante geschikt moeten worden geacht. Appellante kan met die functies een zodanig inkomen verdienen dat zij ten opzichte van het loon in haar maatmanfunctie geen verlies aan verdiencapaciteit heeft. Dit betekent dat het Uwv op deze grond terecht de toekenning van een WAO-uitkering heeft geweigerd en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

Ten aanzien van de grief dat de geselecteerde functies niet tijdig aan appellante zijn voorgehouden, waarbij een beroep is gedaan op jurisprudentie van de Raad, overweegt de Raad dat de jurisprudentie over het aanzeggen van functies en het hanteren van een uitlooptermijn ziet op de situatie dat een lopende uitkering wordt herzien of ingetrokken en de verzekerde zich moet kunnen instellen op een gewijzigde inkomenssituatie of de verzekerde zich moet omschakelen en oriënteren op het gaan verrichten van loonvormende arbeid teneinde de bij hem of haar aanwezig geachte resterende verdiencapaciteit te benutten. Er dient in dat geval een uitlooptermijn te worden verleend, gedurende welke de uitkering nog wordt voortgezet. Wanneer er, zoals in dit geval, geen sprake is van een lopende WAO-uitkering maar een beoordeling of er na afloop van de wachttijd een WAO-uitkering kan worden toegekend, is deze jurisprudentie niet van toepassing.

Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.

TM