Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
04/7154 WAO, 04/7201 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting (35-45%). Bij nader besluit herzien naar 45-55%. Zorgvuldigheid? Arbeidsongeschiktheid uit andere ziekteoorzaak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7154 WAO en 04/7201 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2004, 03-924 en 03-923 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is sinds 1982 in het genot van een uitkering ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid. Laatstelijk was die uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant is op 30 oktober 1997 onderzocht door een verzekeringsgeneeskundige, werkzaam voor het Uwv. Naar aanleiding van dat onderzoek is een belastbaarheidspatroon opgesteld aan de hand waarvan vervolgens een theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft plaatsgevonden. Dit leidde tot een besluit van 8 mei 1998 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd op 35 tot 45% werd gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 1998 ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen dat besluit beroep bij de rechtbank ingesteld.

Op 25 september 1999 heeft appellant het Uwv verzocht om de WAO-uitkering te herzien in verband met door hem ondervonden toegenomen klachten.

Het beroep tegen het besluit van 2 oktober 1998 heeft de rechtbank bij uitspraak van 7 februari 2000 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van zijn verzoek van 25 september 1999 om herziening van de WAO-uitkering is appellant op 23 oktober 2001 onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts.

De Raad heeft op 18 december 2001 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant en heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het door Uwv verrichte onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. De Raad was daarbij van oordeel dat ook de psychische beperkingen van appellant mede de oorzaak vormden voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in 1982. De Raad heeft derhalve het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van 2 oktober 1998 en de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2000 vernietigd. De Raad heeft daarbij tevens bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Bij besluit van 8 januari 2002 heeft het Uwv, beslissend op het verzoek van appellant van 25 september 1999, de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Appellant is vervolgens op 6 december 2002 ter zake van zijn beide bezwaren, onderzocht door een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft de belastbaarheid van appellant, vastgelegd in een zogenoemd belastbaarheidspatroon gedateerd op 25 september 1999, bevestigd. Op basis daarvan heeft een voor het Uwv werkzame bezwaararbeidsdeskundige vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid op de data in geding bepaald. Dit leidde tot het thans bestreden besluit van 31 januari 2003, waarbij werd bepaald dat het besluit van 8 mei 1998 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd werd vastgesteld op 35 tot 45%, werd gehandhaafd (Besluit I). Bij het tweede bestreden besluit van dezelfde datum werd het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2002 in zoverre gegrond verklaard dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 september 1999 werd herzien naar de klasse van 45 tot 55% (Besluit II).

Appellant heeft tegen de besluiten I en II beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat het door het Uwv verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen twijfel bestond ten aanzien van de juistheid of de volledigheid van de beoordeling.

In hoger beroep heeft appellant onder meer gesteld dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Tevens is gesteld dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onjuist is waarbij er met name op is gewezen dat op appellant het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat gold vóór 1987 van toepassing is. Naar de mening van appellant heeft het Uwv dat criterium niet op een juiste manier toegepast.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het Uwv ten behoeve van Besluit I op een voldoende zorgvuldige manier heeft vastgesteld welke beperkingen appellant ondervindt. Het Uwv heeft daarbij ook rekening gehouden met de bij appellant spelende psychische problematiek. De Raad ziet, met de rechtbank, dan ook geen aanleiding om de wijze waarop het Uwv die beperkingen in het voor appellant opgestelde belastbaarheidspatroon tot uitdrukking heeft gebracht, voor onjuist te houden.

Ook ten aanzien van Besluit II is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is om te concluderen dat het Uwv de beperkingen van appellant op een onvoldoende zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. De Raad wijst er daarbij op dat appellant is onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts, dat die verzekeringsarts beschikte over uitgebreide informatie uit het dossier, dat voorts informatie is opgevraagd bij de behandelende sector en dat de ontvangen informatie, met name die van de behandelend psychiater, in de beoordeling is betrokken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de door haar bedoelde nieuwe klachten. Dit oordeel houdt in dat artikel 37, tweede lid, van de WAO slechts in de weg staat aan een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toeneming van arbeidsongeschiktheid indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waarvoor de uitkering wordt ontvangen. Gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd dat er een direct verband bestaat tussen de gebreken die destijds de medische aanleiding vormden voor het toekennen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering – namelijk de aandoening aan de rug en psychische klachten – en de klachten die per 25 september 1999 de aanleiding zouden moeten vormen om de WAO-uitkering te herzien, te weten de aandoening aan de luchtwegen, maag, prostaat, nek, schouder en voorhoofdsholte.

Er is evenmin aanleiding om de behandelend psychiater te volgen waar deze stelt dat appellant veel beperkter is, nu uit de verklaringen van die psychiater naar het oordeel van de Raad onvoldoende blijkt waarom verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen.

De Raad kan voorts het arbeidskundig onderdeel van de beide bestreden besluiten onderschrijven. Zoals ook door het Uwv is gesteld, zijn op appellant de criteria van vóór 1987 van toepassing, hetgeen onder meer met zich heeft gebracht dat het Uwv – zonder dat dit criterium volgens de jurisprudentie zulks overigens dwingend meebracht – vijf verschillende functies heeft geduid die samen minstens 50 arbeidsplaatsen vertegenwoordigden, waarbij geen ondergrens werd gesteld aan het aantal arbeidsplaatsen per functie. Uit de stukken en gelet op hetgeen namens het Uwv ter zitting is toegelicht inzake de reistijd bij de geduide functies blijkt voorts dat werd voldaan aan de vereisten die namens appellant zijn benoemd als ‘in billijkheid op te dragen’, ‘ter plaatse waar’ en ‘regelmatig vacatures’. Ten slotte is het de Raad niet gebleken dat appellant, uitgaande van de juistheid van het voor hem geldende belastbaarheidspatroon, de geselecteerde functies niet zou kunnen vervullen. De Raad onderkent dat de belasting in de functie van bediende vulmachine, in de loop van het geding is veranderd, maar blijkens de beschrijving is die belasting op het onderdeel Staan geringer geworden, zodat de Raad niet vermag in te zien waarom die geringere belasting niet in overeenstemming is met appellants mogelijkheden.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.