Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06/2899 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstandsuitkering naar gehuwdennorm aan betrokkene en zijn broer. Gezamenlijke huishouding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2899 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2006, 05/1996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving tot 15 juli 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% wegens woningdeling, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Aanvankelijk is deze uitkering met ingang van 15 juli 2004 beëindigd wegens werkaanvaarding. Op 28 juli 2004 heeft appellant opnieuw om een uitkering ingevolge de WWB verzocht. Bij besluit van 28 januari 2005 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer.

Bij besluit van 21 april 2005 heeft het College het tegen het besluit van 28 januari 2005 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat met ingang van 15 juli 2004 aan appellant en zijn broer tezamen alsnog bijstand naar de gehuwdennorm is toegekend, waarvan 50% aan appellant is uitbetaald. Daarbij is tevens een vergoeding voor de kosten van bezwaar van € 644,-- aan appellant toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 april 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het College heeft zich voor zijn standpunt dat appellant en zijn broer ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden, blijkens de overwegingen van het besluit van 21 april 2005, gebaseerd op het feit dat appellant en zijn broer op

12 januari 2005 tijdens een verificatiegesprek met twee medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Amsterdam hebben verklaard “dat zij een gezamenlijke huishouding voeren”. Kennelijk is het College daarbij uitgegaan van de zich onder de gedingstukken bevindende getypte versie van de verklaringen van appellant en zijn broer en niet van het handgeschreven exemplaar. Nu appellant en zijn broer beiden hebben ontkend dat zij ten overstaan van de handhavingsmedewerkers in die zin hebben verklaard en dit ook niet in de handgeschreven versie valt terug te vinden, moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat zulks ook niet daadwerkelijk is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2005 op een onjuiste grondslag berust.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 21 april 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal voorts nagaan of er grond bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

De Raad neemt daarbij de handgeschreven, maar niet door appellant ondertekende, weergave van het op 12 januari 2005 gehouden gesprek met appellant (en zijn broer) als uitgangspunt. De Raad ziet geen aanleiding de inhoud daarvan voor onjuist te houden, te minder nu in het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 januari 2005 staat vermeld dat appellant en zijn broer toen naar eer en geweten antwoord hebben gegeven op de gestelde vragen.

Tussen partijen is niet in geding, en ook voor de Raad staat vast, dat appellant en zijn broer ten tijde in geding beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Uit het (handgeschreven) gespreksverslag van 12 januari 2005 komt voorts naar voren dat appellant en zijn broer gebruik maken van alle ruimten en faciliteiten in de woning, dat gezamenlijk gebruik wordt gemaakt van de ingekochte boodschappen, dat geen kenbare splitsing van etenswaren aanwezig is en dat de woning gezamenlijk wordt schoongehouden. Daarnaast worden wisselende bedragen (aanvankelijk € 250,-- later € 200,-- per maand) genoemd voor onderhuur die de broer van appellant aan hem verschuldigd zou zijn, terwijl betalingsbewijzen ontbreken. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moet worden geoordeeld dat daarmee tevens aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Nu niet is gebleken dat er bij één van de broers sprake was van zorgbehoefte, is derhalve terecht aangenomen dat appellant en zijn broer ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Daaruit vloeit voort dat appellant en zijn broer tezamen recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 45, vierde lid, van de WWB is de bijstand voorts terecht voor de helft aan appellant uitbetaald.

Het voorgaande brengt met zich dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit op bezwaar in stand kunnen blijven.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 april 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.