Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
06-2221 WAO + 06-4043 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Werknemer en werkgever in beroep. Feitelijk verrichte arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2221 WAO + 06/4043 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de geschillen tussen:

1. [eiser 1] (hierna: eiser 1),

2. [eiser 2] (hierna: eiser 2)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder).

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 15 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 tegen het primaire besluit van 27 september 2004 gegrond verklaard en de aan eiser 1 toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van

29 september 2004 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Tegen dit besluit hebben eiser 1 en eiser 2 beroep ingesteld bij de Raad.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007.

Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Eiser 2 is verschenen bij gemachtigde

mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

Eiser 1 is op 7 juli 1998 in verband met psychische klachten ongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als rechter. Met ingang van 6 juli 1999 ontving hij een uitkering ingevolge de WAO, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Vanaf juni 2003 verrichtte eiser 1 weer werkzaamheden in het kader van een proefplaatsing in zijn eigen werkomgeving.

In het kader van een herbeoordeling van het recht op uitkering na vijf jaren heeft in 2004 een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waaruit verweerder de conclusie heeft getrokken dat eiser 1 weer geschikt was voor zijn eigen werk als rechter. Om die reden heeft verweerder bij besluit van 27 september 2004 de uitkering per 29 september 2004 beëindigd.

Zowel eiser 1 als eiser 2 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben daarbij aangevoerd dat in de praktijk is gebleken dat eiser 1 maximaal zes uren per dag belast kan worden; eiser 2 heeft hieraan toegevoegd dat eiser 1 in verband met concentratieproblemen en energetische beperkingen en de daaruit voortvloeiende beperkingen met betrekking tot tempo en complexiteit van informatieverwerking slechts belast kan worden met eenvoudige zaken, hetgeen er in resulteert dat hij slechts een fractie van het werk kan verrichten waartoe een rechterlijk ambtenaar van zijn leeftijd en met zijn ervaring in staat moet zijn.

De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapport van 8 februari 2006 tot de conclusie gekomen dat eiser 1 met betrekking tot zijn cognitieve vermogens voldoet aan de normaalwaarden die zijn gesteld in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zodat in algemene zin geen aanleiding bestaat een urenbeperking te stellen. Tot werkzaamheden waarvoor intensieve, volgehouden concentratie en verdelen van de aandacht is vereist, zoals de maatgevende arbeid van rechter, is eiser 1 echter niet langer dan zes uur per dag in staat, gelet op de resterende psychische beperkingen. In die zin heeft de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast.

De bezwaararbeidsdeskundige achtte eiser 1 geschikt voor zijn eigen werk als rechter gedurende zes uur per dag (30 uur per week). Uitgaande van een restverdiencapaciteit van zes uur per dag in de eigen functie heeft hij het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 33%. Omdat de bezwaararbeidsdeskundige op grond van een theoretische schatting met behulp van het CBBS het verlies aan verdiencapaciteit berekende op 55 tot 65% is hij tot de conclusie gekomen dat de praktische schatting diende te prevaleren en dat eiser 1 ingedeeld diende te worden in de klasse 25 tot 35%.

Bij de beslissing op bezwaar van 15 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser 1 en eiser 2 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser 1 per 29 september 2004 vastgesteld op 25 tot 35 %.

Eiser 1 noch eiser 2 kan zich met dit besluit verenigen. Zij hebben aangevoerd dat eiser 1 in verband met concentratieproblemen en energieverlies niet in staat is gedurende zes uur per dag een volledige arbeidsprestatie te leveren.

De Raad overweegt als volgt.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts op 8 februari 2006 aangepaste FML geen juiste weergave vormt van de bij eiser 1 ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts, zoals hij in zijn rapport van 19 juni 2006 ook heeft vastgelegd, zijn oordeel in het bijzonder heeft gebaseerd op de eigen opgave van eiser 1 dat werkdagen van maximaal zes uur per dag haalbaar zijn, hetgeen ook proefondervindelijk is gebleken, op de omstandigheid dat de bedrijfsarts zich hieraan heeft geconformeerd en op de tijdens de bezwarenprocedure ontvangen medische informatie, waaronder een expertiserapport van 20 februari 2004 van psychiater

N. van Loenen en psycholoog E.H. Ameling, waaruit blijkt dat eiser 1 vrijwel is hersteld van de psychiatrische stoornis waarmee hij destijds uitviel. De Raad wijst er verder op dat ook de juridisch medisch adviseur blijkens zijn brief van 3 april 2004 aan eiser 2 uitging van een aanzienlijk herstel van de medische situatie op dat moment en een geleidelijke reïntegratie in het eigen werk, zij het dat hij een volledige hervatting niet verwachtte voor 1 juli 2004.

Hetgeen eisers met betrekking tot de medische beoordeling hebben aangevoerd heeft bij de Raad geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bij eiser 1 per in geding zijnde datum vastgestelde belastbaarheid. Immers, het gaat hier om een eigen opvatting van eisers, die niet wordt geschraagd door medische gegevens en waaraan de Raad niet dat gewicht kan toekennen dat zij daaraan gehecht willen zien.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende. Vaststaat dat eiser 1 op de in geding zijnde datum niet volledig geschikt was voor het verrichten van zijn eigen werk. Door eisers is niet bestreden dat een theoretische schatting per 29 september 2004 zou hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% en ook de Raad heeft geen reden hieraan te twijfelen.

Ter zitting van de Raad is door eisers bevestigd dat eiser 1 op 29 september 2004 voor zijn feitelijk verrichte werkzaamheden zijn volledige salaris genoot. Verweerder is, gelet op artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit van 8 juli 2000, derhalve terecht overgegaan tot een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgaande van de feitelijk verrichte arbeid. De Raad stelt vast dat eiser 1 aldus met een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% niet te kort is gedaan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de beroepen van eiser 1 en eiser 2 ongegrond moeten worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.