Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
05-3289 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te herzien. Medische beperkingen toegenomen?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3289 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 april 2005, 04/5532 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 5 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker tuinderij. Zij heeft zich op 5 juni 2003 bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens verergering van haar klachten aan de linker pols en arm en verzocht om herziening van haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die berekend is naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De verzekeringsarts N.L. van Luntesburg heeft appellante op het spreekuur gezien en in haar rapportage van 13 mei 2004 geconcludeerd dat appellantes medische situatie per datum onderzoek dezelfde is als die vier weken na haar uitval en dat de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet Amber) niet van toepassing is.

In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2004 aan appellante medegedeeld dat haar uitkering op grond van de WAO niet wordt herzien en dat deze gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever de belastbaarheid van appellante opnieuw in kaart gebracht. In haar rapportages van 8 november 2004 en 13 december 2004 concludeerde zij dat de bevindingen bij onderzoek gelijk zijn en dat daarmede de objectiveerbare beperkingen gelijk zijn aan die in het voor appellante geldende belastbaarheidspatroon van 11 juli 2000. Volgens Wever is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot appellantes arbeidsbeperkingen onvoldoende heeft onderbouwd.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 22 december 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante in het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep voert appellante primair aan dat er wel degelijk sprake is van een verergering van haar klachten en dat de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden en derhalve in medisch opzicht niet geschikt zijn te achten. Tevens voert appellante aan dat ook overigens een arbeidskundige beoordeling dient plaats te vinden.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid in het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Wever opgestelde rapportages geen juiste weergave vormen van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen, zoals in de primaire fase van de besluitvorming vastgesteld door de verzekeringsarts Van Luntesburg. De Raad heeft daarbij mede betekenis toegekend aan de brief van de arts-assistent orthopaedie H.E. Henkus, mede namens de orthopaedisch chirurg E.R.A. van Arkel, van 13 december 2004. Uit deze brief blijkt dat appellante op de polikliniek orthopaedie is gezien in verband met pijnklachten in haar linker pols, spontaan 1 maand geleden begonnen, en dat functie-onderzoek volledig en pijnvrij is.

Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

Met betrekking tot appellantes grief inzake het achterwege laten van een arbeidskundige beoordeling van de onderhavige schatting overweegt de Raad, gelijk hij reeds eerder heeft overwogen, bij voorbeeld in zijn uitspraak van 4 april 2006 (LJN: AW1617), dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het toepassingsbereik van artikel 39a van de WAO beperkt is tot die situaties waarin sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante een WAO-uitkering ontvangt. Eerst indien een toename van medische beperkingen uit diezelfde ziekteoorzaak is vastgesteld, dient de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen, zulks ter beoordeling van de vraag of, en zo ja in welke omvang, de toename van beperkingen ook leidt tot een toename van de arbeidsongeschiktheid. Indien van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, wordt derhalve aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.

In het onderhavige geval heeft het Uwv, zoals uit het voorgaande blijkt, terecht vastgesteld dat van een toename van de medische beperkingen geen sprake was. Terecht is daarom een arbeidskundig onderzoek achterwege gebleven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007.

(get) K.J.S. Spaas.

(get) J.W. Engelhart.