Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
05-2060 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag in hoger beroep nader toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2060 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 februari 2005, 04/1084 (hierna aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.T. Sick, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sick. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 28 november 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 27 april 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat zowel het medisch als het arbeidskundig onderzoek een adequate en toereikende grondslag biedt voor het bestreden besluit en ook anderszins niet is gebleken dat dat besluit onjuist zou zijn.

De Raad stelt vast dat appellant zijn stelling dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat niet met medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen grond te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat met de aangegeven beperkingen voor het hanteren van tijdsdruk, verantwoordelijkheden en conflicten voldoende is tegemoetgekomen aan de adviezen die appellant door de behandelend artsen zijn gegeven en dat voor een duurbeperking gezien de stoornis geen noodzaak bestaat, voor onjuist te houden. De belastbaarheid zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dient dan ook als uitgangspunt voor de arbeidskundige beoordeling. De Raad stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 12 maart 2007, dat ter zitting van de Raad met toestemming van appellant is overgelegd, de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nogmaals heeft aangepast, in die zin dat de schatting thans is gebaseerd op de functies systeembeheerder (sbc-code 514020), roostermaker (sbc-code 513010) en commercieel administratief medewerker (sbc-code 516110). Deze drie functies behoren overigens tot de acht aanvankelijk voor appellant geselecteerde functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 12 maart 2007 alle signaleringen besproken. Naar aanleiding van de bezwaren die appellant heeft aangevoerd tegen de met de functies verbonden belasting op de punten deadlines en productiepieken, het dragen van verantwoordelijkheid en het hanteren van conflicten, overweegt de Raad dat hij de toelichtingen in de diverse arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige rapporten in het dossier, waaronder met name het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 maart 2007, toereikend acht. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de met de drie functies verbonden belasting valt binnen de belastbaarheid van appellant. De stelling van appellant dat voor de functie van systeembeheerder een certificering is vereist die appellant niet bezit, is naar het oordeel van de Raad afdoende weerlegd in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juli 2005, waarin is toegelicht dat het hier gaat om een functie op MBO-niveau waarvoor de door appellant bedoelde certificering niet is vereist. De Raad concludeert dat niet is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% is onderschat.

De Raad stelt vast dat het Uwv in hoger beroep de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nog nader heeft vastgesteld en eerst in deze fase voldoende inzichtelijk heeft toegelicht dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot stand gekomen besluiten, dient het bestreden besluit dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten bestaan uit kosten voor verleende rechtsbijstand en worden begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

Nu niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden in de zin van artikel 8:73 van de Awb, wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.