Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
05-5155 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Beginsel van goede procesorde. Informatieplicht bij opvolgend rechter.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 1417
ABkort 2007/324
USZ 2007/219
JB 2007/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5155 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juli 2005, 03/443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep doen instellen en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007.

Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 25 september 2003 (bestreden besluit), inhoudende dat de WAO-uitkering van appellant per 18 augustus 2003 wordt ingetrokken, ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het Uwv alsmede het Uwv veroordeeld in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van appellant begroot op ? 80,50.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant het oordeel van het Uwv over de medische kant van de zaak niet heeft bestreden, dat de geduide functies voldoende actueel zijn en dat de gestelde overschrijdingen van de belastbaarheid in die functies voldoende zijn toegelicht.

Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld voor zover het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij het medische oordeel wel heeft bestreden: hij heeft namelijk aangegeven dat de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans niet overeenstemt met de aantekeningen op het FIS-formulier. Verder geeft hij aan zowel in statische als in dynamische nekbelasting beperkt te zijn, zodat hij de geduide functies niet kan verrichten.

De Raad overweegt allereerst als volgt.

Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Ingevolge artikel 8:77, eerste lid, onder d, van de Awb vermeldt de schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld.

Ingevolge artikel 8:77, derde lid, van de Awb wordt de uitspraak ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door een lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Het beroep van appellant is echter op een eerder gehouden zitting behandeld, zo blijkt uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal van

8 juni 2004, door een andere rechter, eveneens lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Die rechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te verstrekken. Na ontvangst van deze informatie en de reactie van appellant daarop heeft de rechtbank aan partijen toestemming verzocht om het onderzoek ter nadere zitting achterwege gelaten en heeft zij deze toestemming ontvangen. Bij het vragen van toestemming zijn partijen niet gewezen op de mogelijkheid van vervanging van de behandelende rechter.

De goede procesorde brengt, gelet op artikel 8:69, eerste lid, artikel 8:77, eerste lid, onder d, en artikel 8:77, derde lid, van de Awb, in hun onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de Raad mee dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Dit lijdt naar het oordeel van de Raad uitzondering indien partijen, nadat de zaak eerder op een zitting behandeld is, overeenkomstig artikel 8:57 van de Awb toestemming hebben gegeven dat een nader onderzoek ter zitting uitblijft mits zij bij gelegenheid van het verzoek tot het verlenen van die toestemming geïnformeerd zijn over het feit dat de beslissing door een opvolgende rechter wordt genomen.

Nu appellant hiervan niet op de hoogte is gesteld en het uitzonderingsgeval zich dus niet voordoet, is de aangevallen uitspraak in strijd met het beginsel van goede procesorde tot stand gekomen.

Reeds uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden vernietigd. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft ziet de Raad evenwel aanleiding ook een inhoudelijk oordeel te geven.

Met betrekking tot de medische kant van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans blijkens haar rapportage van 14 april 2003 appellant heeft gezien op het spreekuur en heeft geconcludeerd dat er klachten zijn die zeer wel passen bij een doorgemaakt whiplashtrauma. Zij acht het reëel diverse beperkingen aan te geven, voor nek/schouderbelastend werk, voor tillen, dragen, frequente hoofdbewegingen en langdurig beeldschermwerk; voorts op mentaal gebied voor langdurige hoge tempodruk en constant hoge verantwoordelijkheid. Zij heeft deze beperkingen verwerkt in het FIS-formulier van die datum. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat deze beoordeling niet zorgvuldig of onvolledig is geweest. Het standpunt van appellant dat sprake is van tegenstrijdigheid tussen de rapportage en het FIS-formulier deelt de Raad niet: in het verweerschrift heeft het Uwv aangegeven dat de beperking voor langdurig beeldschermwerk geen verband houdt met een beperking voor statische nekbelasting maar met een beperking op het gebruik van de zintuigen. Dit blijkt ook uit het FIS-formulier: de opmerking “niet langdurig beeldschermgebruik” is opgenomen bij punt 25, gebruik van de zintuigen.

Voor de stelling van appellant dat hij ook beperkt is ten aanzien van statische nekbelasting zijn in de stukken onvoldoende aanknopingspunten te vinden. Ter zitting bij de Raad heeft het Uwv op dit punt nog een uitvoerige toelichting gegeven, welke de Raad onderschrijft.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit sluit de Raad zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Met de door het Uwv vastgestelde en door de Raad niet onjuist geachte beperkingen moet appellant in staat worden geacht de geduide functies te verrichten.

Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep ad € 322,-.

III. BESLISSING

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.