Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
05-4364 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Persoonlijkheidsstoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4364 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2005, 04/280,

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De gronden van het hoger beroep zijn ingediend door mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 19 december 2003, waarbij is gehandhaafd het besluit van 23 juni 2003 waarbij is geweigerd om appellant ingaande

22 oktober 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Hieraan ligt primair ten grondslag dat appellant niet door ziekte of gebrek wordt verhinderd zijn eigen werk te verrichten.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, daarbij appellant als eiser en het Uwv als verweerder aanduidend, onder meer het volgende overwogen:

“Eiser, geboren op 10 augustus 1973, is op 23 oktober 2001 uitgevallen voor zijn werk als technisch projectmanager bij een softwarebedrijf. Die uitval vond plaats wegens griepachtige verschijnselen, waaraan later door (onder meer) de huisarts de qualificatie ''burn out' is gegeven. Op verzoek van verweerders verzekeringsarts hebben achtereenvolgens de psychiater B.J. van Eyk (bij rapport van 16 november 2002) en de neuropsycholoog drs. L.C.C.F. Vanbrabant (bij rapport van 23 februari 2003) geadviseerd omtrent eisers psychische toestand.

(..)

De rechtbank meent dat het verantwoord is om uit de voorhanden zijnde medische gegevens af te leiden dat er op er na

22 oktober 2002 bij eiser in psychisch opzicht geen sprake was van een ziekte of gebrek. Weliswaar spreekt de psychiater van Eyk in zijn rapport van 16 november 2002 over een stoornis op gevoelsmatig/emotioneel gebied, maar de rechtbank is er niet van overtuigd dat die stoornis een zodanige betekenis had dat er uit dien hoofde zou moeten worden gesproken van een ziekte of gebrek in de zin van de WAO. In dit verband is van belang dat de neuropsycholoog Vanbrabant in zijn rapport van

23 februari 2003 concludeert dat eiser - ook al heeft hij een bepaalde persoonlijkheidsstructuur die een risico van somatiseren met zich brengt - geen persoonlijkheidsstoornis heeft en tevens dat de van de kant van eiser ingeschakelde psychiater drs. P.W. Pasmans blijkens zijn in november 2004 uitgebrachte rapport overweegt dat er wel aspecten aan eisers functioneren zijn die doen denken aan een stoornis uit het autistisch spectrum, maar dat de mate waarin een en ander zich voordoet dermate mild is dat hier niet regelrecht van een stoornis gesproken kan worden.

Eiser heeft naar voren gebracht dat hij lijdt aan bepaalde cognitieve stoornissen. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, voorzover eiser op een aantal cognitieve aspecten minder presteert en deze mindere prestatie zou vallen buiten de grenzen van wat als normaal moet worden aangemerkt, die mindere prestatie dan toch in ieder geval niet een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte of gebreken (als vereist krachtens artikel 18, eerste lid, van de WAO).

Voorts overweegt de rechtbank dat er onvoldoende objectieve medische gegevens voorhanden zijn om te kunnen concluderen dat de op 23 oktober 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid van eiser veroorzaakt zou zijn geweest door een destijds niet onderkende virale meningo-encephalitis - zoals de psychiater Pasmans suggereert - en dat eiser ten gevolge van een dergelijke aandoening op 22 oktober 2002 nog steeds arbeidsongeschikt zou zijn geweest.

Het bestreden besluit kan dan ook worden gedragen door de primaire weigeringsgrond, inhoudende dat eiser niet lijdt aan een ziekte of gebrek (..).”

Dit oordeel en deze motivering worden door de Raad onderschreven. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat appellant geen persoonlijkheidsstoornis heeft. Ook de Raad gaat daar van uit. Het Uwv heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij daarmee tevens er van uitgaat dat appellant niet door ziekte of gebrek ongeschikt was voor de laatstelijk door hem verrichte werkzaamheden en dat deze laatstelijk verrichte functie als maatman moet worden beschouwd.

Uit de beschikbare medische gegevens kan niet worden afgeleid dat appellant ten tijde van belang door ziekte of gebrek was verhinderd tot het verrichten van zijn eigen werkzaamheden.

Geschiktheid voor het eigen werk veronderstelt naar vaste rechtspraak van de Raad dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken, doen zich in deze zaak niet voor.

De aangevallen uitspraak komt zodoende voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.