Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
05-1775 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1775 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 februari 2005, 03/1044 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling op zitting aan de orde gesteld op 14 maart 2007. Partijen zijn

- met bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is vanaf 1984 werkzaam geweest als zeefdrukker en is op 28 augustus 1994 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten. Met ingang van

27 september 1995 is aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts A.J. Bruining-Westra heeft appellant in het kader van een herbeoordeling op 31 januari 2003 onderzocht en heeft hierover op 4 februari 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat bij appellant sprake is van rugklachten als gevolg van osteoporose en een wigvormige wervel. Bruining-Westra heeft hierbij aangegeven dat bij onderzoek geen bewegingsbeperkingen van de rug zijn geconstateerd en dat ook op neurologisch vlak geen afwijkingen zijn gevonden.

Bruining-Westra heeft appellant, gezien de anamnese en de onderzoeksbevindingen, geschikt geacht voor rugsparend werk. De voor appellant vastgestelde medische beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

31 januari 2003.

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige O. Labordus functies voor appellant geselecteerd. Op basis van de aan deze functies te ontlenen loonwaarde heeft Labordus de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant gesteld op 15 tot 25%.

Bij besluit van 14 april 2003 heeft het Uwv onder meer bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 juni 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts

K.J. van Haeringen heeft op 6 augustus 2003 gerapporteerd dat door de primaire verzekeringsarts voldoende rekening is gehouden met de rugklachten van appellant.

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam op 9 september 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer aangegeven dat een aantal van de aan appellant voorgehouden functies voor hem ongeschikt is vanwege het vereiste opleidingsniveau. Op basis van de resterende functies, die volgens Van Dam wel voor appellant geschikt zijn, is de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 25 tot 35%.

Het Uwv heeft het bezwaar bij besluit van 11 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard dat de WAO-uitkering per 8 juni 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld, waarbij hij een verklaring van zijn huisarts van 3 september 2004 en een rapport van de medisch adviseur D.J. Schakel van 10 januari 2005 heeft ingebracht. De bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen heeft op deze stukken gereageerd bij rapporten van respectievelijk

16 december 2004 en 21 januari 2005. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat er onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat appellant op 8 juni 2003 meer of anders medisch beperkt was dan zoals door het Uwv is aangenomen. Voorts was de rechtbank van oordeel dat appellant geschikt kan worden geacht voor de aan hem voorgehouden functies en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 25 tot 35% is gesteld.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn rugklachten zijn onderschat en dat door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan hij aan de opleidingseisen voldoet die gelden voor de vervulling van de geselecteerde functies.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen. Hierbij overweegt de Raad dat appellant door de primaire verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht en dat bij het opstellen van de FML rekening is gehouden met de door appellant aangegeven rugklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in diverse rapporten, mede in reactie op de door appellant ingebrachte medische stukken, uiteengezet dat er geen redenen zijn om in verband met deze klachten verdergaande medische beperkingen aan te nemen. Het is voor de Raad niet komen vast te staan dat dit standpunt onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de Raad kunnen de geselecteerde functies, gezien de in dit verband door de bezwaarverzekeringsarts gegeven toelichting, in medisch opzicht voor appellant geschikt worden geacht.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam van

9 september 2003 is vermeld dat een aantal van de aan appellant voorgehouden functies voor hem ongeschikt is, gezien het voor deze functies vereiste opleidingsniveau. Hierbij is aangegeven dat appellant in 1974 een MTS-opleiding in de grafische richting heeft voltooid, die volgens Van Dam niet gelijk kan worden gesteld aan een actuele MTS-opleiding in deze richting, en dat appellant nadien steeds op scholingsniveau 4, derhalve niet op MBO-niveau 5, heeft gewerkt. Van Dam heeft - op basis van functies uit drie sbc-codes - de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 25 tot 35%, waarbij Van Dam heeft opgemerkt dat appellant ook voor functies uit drie andere (reserve)sbc-codes geschikt kan worden geacht. Wat betreft de gestelde opleidingseisen merkt de Raad op dat voor één van de primair aan de schatting ten grondslag liggende functies, te weten de functie van verkooptelefonist (sbc-code 317012), geldt dat het benodigde opleidingsniveau op 5 is gesteld en dat een MBO-diploma vereist is. Gezien de opmerkingen van de bezwaararbeidsdeskundige Van Dam over de door appellant gevolgde opleiding en opgedane werkervaring, is de Raad van oordeel dat deze functie niet aan appellant kan worden voorgehouden. Op basis van de aan de resterende geschikte functies te ontlenen loonwaarde blijft de mate van arbeidsongeschiktheid evenwel 25 tot 35%, zodat het wegvallen van de functie van verkooptelefonist geen gevolgen heeft voor de schatting.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.