Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
04-7402 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7402 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 november 2004, 04/576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2007. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 26 augustus 1999 met psychische klachten uitgevallen uit zijn functie van assurantieadviseur voor 36 uur per week. Bij besluit van 28 augustus 2000 is aan hem met ingang van 24 augustus 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 2 september 2002 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 3 november 2002 herzien en teruggebracht naar 65 tot 80%. Het Uwv heeft de tegen dit besluit gerichte bezwaren bij besluit van 27 juni 2003 gegrond verklaard omdat de ter onderbouwing van het besluit gebruikte medische gegevens inmiddels waren verouderd en heeft appellant per 3 november 2002 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht.

In het kader van de onderhavige procedure heeft de verzekeringsarts L.H.W. Sabel appellant op 15 mei 2003 op zijn spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft geoordeeld dat appellant voor halve dagen belastbaar is, daarbij met name betekenis toekennend aan het dagverhaal van appellant. Hij heeft appellant geschikt geacht voor passende arbeid, waarbij hij een urenbeperking van vier uur per dag heeft aangenomen. Bij besluit van

15 augustus 2003 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 26 augustus 2003 wordt verlaagd naar een uitkering die hoort bij een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 april 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op het rapport van bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold van 18 maart 2004, die het oordeel van verzekeringsarts Sabel heeft bevestigd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit berust op een juiste, althans toereikende medische grondslag en dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die aanleiding geven tot een andersluidend oordeel. Daarnaast is er volgens de rechtbank geen reden om te concluderen dat de arbeidskundige beoordeling de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en fysieke klachten. Appellant acht zichzelf, daartoe onder andere verwijzend naar het door hem in de bezwaarfase ingebrachte rapport van psycholoog

B.A. Tjoen tak Seu van HP Select-Morgon Consultancy van 17 oktober 2002, meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Appellant vindt het onbegrijpelijk dat het rapport van verzekeringsarts Sabel van 16 mei 2003 zowel ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing op bezwaar van 27 juni 2003, hetgeen resulteerde in voortzetting van de eerder toegekende WAO-uitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid op basis van 80-100%, als aan de uit het bestreden besluit voortvloeiende verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 65 tot 80%. Daarnaast is appellant van oordeel dat het Uwv heeft nagelaten om een uitlooptermijn van twee maanden in acht te nemen. Tenslotte stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte arbeidsplaatsen bij elkaar heeft opgeteld, teneinde te kunnen voldoen aan het op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aan een schatting ten grondslag te leggen aantal arbeidsplaatsen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische en de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de toets der kritiek kunnen doorstaan. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere medische informatie ingebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. In tegenstelling tot hetgeen appellant veronderstelt, heeft het rapport van verzekeringsarts Sabel, hoewel naar dit rapport wel wordt verwezen, niet ten grondslag gelegen aan de beslissing op bezwaar van 27 juni 2003. Het Uwv heeft in dit besluit immers bepaald dat de ten behoeve van het besluit van 2 september 2002 gebruikte medische gegevens waren verouderd en daarmee niet langer bruikbaar waren. Dit heeft – overigens louter om zorgvuldigheidsredenen – tot voortzetting van appellants WAO-uitkering per 3 november 2003 op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% geleid.

Ten aanzien van hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de uitlooptermijn en het optellen van arbeidsplaatsen, kan de Raad zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is een herhaling van zijn stellingen in beroep, terwijl appellant voorts geen andere informatie heeft ingebracht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als voorzitter en

C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-Van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

JL