Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
04-6427 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6427 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2004, 03/1871 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Moonen, advocaat te Amsterdam. Voor het Uwv is verschenen R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 13 maart 2003 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen onder meer het besluit van 5 november 2002 waarbij van hem € 5.967,58 bruto als aan hem over de periode 1 juli 2000 tot en met 31 mei 2002 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering is teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 13 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het beroep uitsluitend is gericht tegen het besluit van 13 maart 2003 voorzover daarbij op het bezwaar tegen het primaire besluit tot terugvordering is beslist, zodat vaststaat dat het evenvermelde bedrag onverschuldigd is betaald. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank voorts geen dringende reden gezien om af te zien van terugvordering, daar financiële nood en door het bestuursorgaan gemaakte fouten niet zo’n reden opleveren terwijl er geen sprake is van een ondubbelzinnige mededeling van de kant van het Uwv dat van terugvordering zal worden afgezien. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 57, eerste lid, van de WAO zozeer in strijd zou komen met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

In hoger beroep heeft appellant (kort gezegd) het volgende aangevoerd. Er is wel degelijk sprake van een of meer dringende redenen. De gevolgen van de terugvordering zijn voor hem zowel financieel als psychisch onaanvaardbaar, zulks temeer als gevolg van het bruto-karakter daarvan. Voorts heeft hij gesteld dat van de kant van het Uwv in de periode voorafgaand aan het primaire terugvorderingsbesluit meerdere malen uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk, ondubbelzinnig en schriftelijk mededelingen zijn gedaan dat de aan hem gedane WAO-betalingen correct waren en waaruit is af te leiden dat geen terugvordering zal plaatsvinden; hij heeft daarop vertrouwd en mogen vertrouwen. Dat het Uwv niet een uitdrukkelijke schriftelijke ondubbelzinnige mededeling heeft gedaan dat niet zal worden teruggevorderd, doet aan dat gewekte vertrouwen niet af en had onder de gegeven omstandigheden voor de rechtbank niet doorslaggevend mogen zijn.

Tevens heeft appellant gesteld dat de door het Uwv gemaakte berekeningen niet herleidbaar zijn, zodat niet kan worden vastgesteld of en alsdan wat onverschuldigd aan hem is betaald; hierbij heeft appellant aangetekend dat het Uwv in de rechtbankprocedure heeft erkend dat toentertijd geen prioriteit werd gegeven aan het maken van juiste berekeningen. Er is dus geen sprake van een incident. In dit verband heeft appellant gesproken van een onaanvaardbare vorm van “moral hazard”.

Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat hij nimmer een onjuiste opgave heeft gedaan van zijn wisselende verdiensten via een uitzendbureau.

De Raad overweegt als volgt.

Het thans aanhangige geding is geheel toegespitst op de terugvordering van hetgeen aan appellant onverschuldigd is betaald. Gelijk de rechtbank heeft vastgesteld waren appellants grieven in beroep nog slechts gericht tegen de terugvordering. De aan de terugvordering ten grondslag liggende besluiten van 8 en 9 oktober 2002 (waarbij is vastgesteld dat in verband met appellants inkomsten uit arbeid per 1 juli 2000 respectievelijk per 1 november 2000 de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45-55% respectievelijk 35-45% berekende WAO-uitkering wordt uitbetaald naar een mate van 25-35% respectievelijk 15-25%) zijn bijgevolg in rechte onaantastbaar geworden. Die beide onderliggende besluiten maken geen onderdeel (meer) uit van het geschil in beroep en vallen evenzeer buiten de omvang van het geschil in hoger beroep. Daarmee staat de onverschuldigdheid van hetgeen aan appellant teveel is betaald vast. Appellants grieven tegen hetgeen aan die beide besluiten vooraf is gegaan - ook al is dat ontegenzeglijk op z’n minst genomen rommelig en verwarrend te noemen - kunnen thans dan ook niet in beschouwing worden genomen. Appellant heeft niet aangetoond dat de bij het primaire terugvorderingbesluit van 5 november 2002 gevoegde specificatie van hetgeen over de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 mei 2002 onverschuldigd teveel aan WAO aan hem is uitbetaald, niet correct is. De Raad vermag niet in te zien dat voor appellant aan de hand van de besluiten van 8 en 9 oktober 2002 niet was na te gaan of die specificatie correct is. Appellant heeft weliswaar gesteld dat het teruggevorderde bedrag niet herleidbaar is, maar daarbij is hij uitgegaan van hetgeen zich heeft afgespeeld vóór die beide besluiten en dat valt, zoals gezegd, buiten de omvang van het geschil in hoger beroep.

Bij het primaire terugvorderingsbesluit is aangegeven dat, indien het over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 mei 2002 verschuldigde bedrag niet volledig vóór

15 december 2002 zal zijn voldaan, het resterende bedrag van de vordering zal worden verhoogd met de daarover door het Uwv af te dragen loonheffing. Aangezien appellant van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is het terug te betalen bedrag verhoogd met die loonheffing. Het Uwv heeft in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Raad het bruto-bedrag teruggevorderd, daar de onverschuldigde betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten met als gevolg dat verrekening tussen het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige en de fiscus niet meer tot de mogelijkheden behoort. Wat dat aspect betreft zal appellant zich tot de fiscus kunnen wenden.

Terugvordering van wat onverschuldigd teveel is betaald is voor het Uwv een wettelijke verplichting waarop ingevolge artikel 57, vierde lid, van de WAO slechts één uitzondering mogelijk is: de dringende reden. Volgens de door de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling ingegeven vaste jurisprudentie van de Raad kan een dringende reden slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die terugvordering voor een verzekerde heeft. Door het Uwv gemaakte fouten - in welk verband appellant heeft gesproken van “moral hazard” - en gedane toezeggingen kunnen geen dringende reden opleveren, omdat deze omstandigheden niet zien op de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft, maar op het ontstaan ervan. Appellant heeft gesteld dat hij aan het Uwv geen onjuiste opgave van zijn inkomen uit arbeid heeft gedaan, maar ook een zodanige omstandigheid ziet niet op de gevolgen van terugvordering.

Appellant heeft met hetgeen hij meer in algemene zin heeft aangevoerd naar het oordeel van de Raad niet in concreto inzichtelijk gemaakt dat de gevolgen van de terugvordering voor hem onaanvaardbaar zijn. Daarbij komt dat, zoals ter zitting van de Raad is komen vast te staan, het totale bedrag inmiddels aan het Uwv is terugbetaald door middel van inhouding op de maandelijkse WAO-uitkering aan appellant met een bedrag van

€ 321,86 dat - zoals het Uwv onweersproken heeft gesteld - is afgestemd op de beslagvrije voet. Appellant heeft dienaangaande ter zitting van de Raad gesteld dat die inhouding tot gevolg heeft gehad dat hij een lening heeft moeten afsluiten, maar met die lening kan geen rekening worden gehouden, reeds omdat door hem het bestaan daarvan niet is aangetoond.

De Raad is niet kunnen blijken dat sinds de door appellant in beroep niet langer bestreden besluiten van 8 en 9 oktober 2002 vanwege het Uwv aan appellant de ondubbelzinnige schriftelijke mededeling is gedaan dat niet of niet het gehele bedrag zal worden teruggevorderd. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld bestaat er bijgevolg geen beletsel voor strikte toepassing van artikel 57 van de WAO.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en de aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL