Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
06-2804 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand: niet verstrekken van gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2804 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2006, 05/3455 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd op 2 april 2007 nadere inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Namens het College is verschenen mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande. In oktober 2004 is appellante door de Sociale Dienst Amsterdam (SDA) aangemeld voor een trajectadvies bij Kliq B.V. In verband met het door Kliq B.V. uitgebrachte eindrapport, waarin onder meer staat vermeld dat appellante een studie politicologie en rechten probeert af te ronden, heeft de SDA appellante bij brief van 2 december 2004 uitgenodigd voor een onderhoud op 15 december 2004. In verband met ziekte heeft appellante afgebeld en vervolgens is zij bij brief van 23 december 2004 uitgenodigd voor een onderhoud op 4 januari 2005. Aan deze uitnodiging heeft appellante gehoor gegeven. Haar is toen tevens verzocht een zogeheten “inlichtingenformulier scholing” in te vullen, hetgeen zij vooralsnog heeft geweigerd.

Het College heeft vervolgens bij besluit van 5 januari 2005 het recht op bijstand opgeschort met ingang van 4 januari 2005. Daarbij is appellante in de gelegenheid gesteld alsnog uiterlijk 18 januari 2005 om 09.00 uur gegevens over te leggen, waaronder het ingevulde “inlichtingenformulier scholing”. Omdat appellante de gevraagde informatie niet heeft verstrekt, heeft het College bij besluit van 20 januari 2005 de bijstand ingaande 4 januari 2005 ingetrokken. Bij besluit van 9 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 5 januari 2005 en 20 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op hetgeen ter zitting namens het College is medegedeeld, wordt aan appellante uitsluitend tegengeworpen dat zij heeft nagelaten (tijdig) het “inlichtingenformulier scholing” in te vullen.

Artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Vaststaat dat appellante op 4 januari 2005 heeft geweigerd het “inlichtingenformulier scholing” in te vullen. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het College, gelet op de gerechtvaardigde wens de bestaande gegevens te actualiseren en met het oog op de voortzetting van bijstand, de invulling van dit formulier van appellante mocht verlangen. Weliswaar blijkt uit de gedingstukken dat de SDA sinds 2001 op de hoogte was van de studie(s) van appellante, maar tevens is gebleken dat nog niet eerder door appellante een “inlichtingenformulier scholing” was ingevuld.

Terecht heeft het College zich dan ook op het standpunt gesteld dat appellante de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet heeft verstrekt. De Raad is voorts van oordeel dat dit appellante te verwijten valt. Dat appellante bang was dat ze mogelijk haar recht op bijstand zou verspelen, kan hieraan - uiteraard - niet afdoen.

Hieruit volgt dat met ingang van 4 januari 2005 aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van die datum gebruik heeft kunnen maken.

Voorts staat vast dat appellante in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, doch daarvan - zonder gegronde reden - geen gebruik heeft gemaakt binnen de gestelde termijn. Dat appellante, zoals zij stelt, het formulier later in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag alsnog heeft ingeleverd, doet in dit verband niet ter zake.

Hiermee is gegeven dat met ingang van 4 januari 2005 ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van die datum gebruik heeft kunnen maken.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

TG18042007