Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
07/1830 WWB-VV + 07/1831 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om voorlopige voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1830 WWB-VV

07/1831 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2007, 06/1342 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkenen] (hierna: betrokkenen),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 6 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan en daarbij de voorzieningenrechter van de Raad verzocht te bepalen dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.H. Merken, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Betrokkenen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het beroep van betrokkenen tegen het besluit op bezwaar van verzoeker van 21 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkenen tegen het primaire besluit van verzoeker van 15 september 2005. Bij het besluit van 21 april 2006 heeft verzoeker de bijstandsuitkering van betrokkenen met ingang van 29 augustus 2005 ingetrokken op de grond dat betrokkenen vanaf die datum langer dan vier weken verblijf houden buiten Nederland. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker ten onrechte betrokkenen niet, althans onvoldoende duidelijk, heeft geïnformeerd over zijn voornemen ten aanzien van het - ten opzichte van het primaire besluit gewijzigde - besluit op bezwaar en hen ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om, al dan niet op basis van een concept-besluit, op dit voornemen te reageren.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit oordeel van de rechtbank, gelet op zowel de feitelijke gang van zaken als op de wettelijke bepalingen en de rechtspraak ter zake van de besluitvorming in bezwaar, niet juist.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat uit de gedingstukken blijkt dat aan betrokkenen met ingang van 30 november 2005 opnieuw bijstand is verleend.

In deze beide omstandigheden gezamenlijk ziet de voorzieningenrechter voldoende grond om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat verzoeker, in elk geval totdat de Raad uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Met betrekking tot het griffierecht zal de voorzieningenrechter toepassing geven aan artikel 23, vijfde lid, van de Beroepswet.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe, in die zin dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst;

Bepaalt dat het door de gemeente Maastricht betaalde griffierecht door de griffier van de Raad wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) R.L. Rijnen.

PR/290507