Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
05-2781 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Gegevens opvragen bij behandelend arts?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2781 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2005, 04/906 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Voor appellante is verschenen

mr. drs. C.M.E. Schreinemacher, advocaat te Amsterdam, en voor het Uwv mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 30 maart 2004 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2003 waarbij de aan haar bij besluit van 22 februari 2002 per 12 februari 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65% toegekende WAO-uitkering per 11 januari 2004 is ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 30 maart 2004 (bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en het een en ander overwogen over in beroep gemaakte proceskosten en in beroep betaald griffierecht.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij zich zowel wat de medische kant als wat de arbeidskundige kant betreft geheel kan vinden in het standpunt van het Uwv, dat er sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts en dat de conclusies van de (bezwaar-)verzekeringsarts naar behoren zijn gemotiveerd.

Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat appellante geen medische gegevens heeft overgelegd die kunnen leiden tot een ander oordeel als door de (bezwaar)verzekeringsarts gegeven en dat zij dan ook geen aanleiding ziet voor een onderzoek door een onafhankelijke deskundige, zoals namens appellante is verzocht.

Ten aanzien van de door de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever ter hoorzitting gemaakte afspraak dat zij gegevens zal opvragen bij de huisarts van appellante, heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad de (bezwaar)verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel, dat de (bezwaar)verzekeringsarts de behandelend sector dient te raadplegen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid door de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee over zijn beperkingen heeft (uitspraak van de Raad van 7 december 2004, LJN: AR8530), doch dat in dit geval die situatie zich niet heeft voorgedaan.

Tot vernietiging van het bestreden besluit met bepaling dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven heeft de rechtbank aanleiding gezien in de omstandigheid dat het Uwv eerst bij het verweerschrift in de beroepsfase een inzichtelijke en begrijpelijke motivering heeft gegeven waarom de geselecteerde (aan de schatting ten grondslag gelegde) functies voor appellante geschikt heeft geacht.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij medisch zozeer meer is beperkt dan vanwege het Uwv is vastgesteld en door de rechtbank is aanvaard dat zij reeds vanwege de combinatie van fysieke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt is. Alleen de primaire verzekeringsarts C.J. Otto heeft haar op 7 juli 2003 lichamelijk en oriënterend psychisch onderzocht, maar eigenlijk kan nauwelijks van een medisch onderzoek worden gesproken. Zo is haar huisarts, die beschikt over veel op haar betrekking hebbende, deels van andere artsen afkomstige gegevens, niet gevraagd om gegevens te verstrekken, ondanks de vanwege het Uwv ter hoorzitting gedane toezegging daartoe. Het had op de weg van het Uwv gelegen om gegevens bij de zogeheten behandelende sector op te vragen en het had niet op haar weg gelegen om die gegevens op te vragen en aan het Uwv ter beschikking te stellen. Voorts is niet een nader onderzoek ingesteld naar het scala van kwalen en ziekten waartegen zij de vele door haar ter hoorzitting getoonde medicijnen gebruikt. Evenmin zijn foto’s van haar gewrichten gemaakt om aan de hand daarvan te kunnen constateren wat zij allemaal mankeert. Ten onrechte ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een onderzoek door een psychiater of psycholoog te doen instellen.

Overigens kunnen de aan haar voorgehouden en aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen van alle door haar worden vervuld, aldus tot slot appellante.

Ter zitting van de Raad is namens appellante medegedeeld dat zij op 11 april 2007 uitgebreid is onderzocht door een drietal artsen en dat een van haar rug gemaakte scan een ernstige vorm van artrose heeft laten zien die niet van de ene op de andere dag is ontstaan, die zij al ten tijde thans in geding had en van het bestaan waarvan zij al sedert 2002 aan verzekeringsartsen van het Uwv melding heeft gemaakt. Aangezien van het resultaat van dat onderzoek nog geen schriftelijk stuk voorhanden is, bestaat er naar de mening van appellante voor de Raad voldoende aanleiding om een nader onderzoek door een medisch specialist te doen instellen en, zo anders, haar een termijn te stellen, opdat zij in staat zal zijn die gegevens te overleggen.

De Raad overweegt als volgt.

Nadat zij op 9 januari 2003 was bevallen, heeft appellante geclaimd dat haar gezondheid is verslechterd en dat haar belastbaarheid is afgenomen. Het op 7 juli 2003 ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek heeft bestaan uit dossierstudie, gericht lichamelijk onderzoek en oriënterend psychisch onderzoek, terwijl - zo is in het rapport van dat onderzoek vermeld - in overleg met appellante geen informatie bij de behandelende sector is ingewonnen. In dat rapport is ook vermeld dat er al uitgebreide informatie van de huisarts in het medisch dossier aanwezig is en dat appellante niet meer onder medische behandeling is. Op basis van de toen beschikbare medische gegevens en bevindingen heeft de verzekeringsarts een Functionale MogelijkhedenLijst (FML) opgesteld. Sedertdien tot en met de zitting van de Raad heeft appellante geen enkel medisch gegeven overgelegd ter onderbouwing van haar klachten over verslechterde gezondheid en afgenomen belastbaarheid.

Afgaande op het vanwege het Uwv opgestelde verslag van de hoorzitting op 6 februari 2004 is ter hoorzitting afgesproken dat de daar aanwezige bezwaarverzekeringsarts informatie zal inwinnen bij de huisarts van appellante. In beroep en ook in hoger beroep heeft appellante als grief aangevoerd dat ten onrechte is afgezien van het opvragen van gegevens bij haar huisarts.

Die bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 22 maart 2004 met betrekking tot de hoorzitting vermeld dat er geen aanleiding werd gezien voor het (doen) verrichten van nader of aanvullend medisch onderzoek of voor het opvragen van nadere informatie uit de curatieve sector, aangezien er voldoende medische gegevens bekend zijn om er een oordeel op te kunnen baseren.

In reactie op de grief van appellante heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie bij de huisarts in te winnen. Daartoe heeft de rechtbank gewezen op de (hiervoor weergegeven) vaste jurisprudentie van de Raad onder aantekening dat geen van de daarin beschreven uitzonderingsgevallen zich in het geval van appellante heeft voorgedaan.

Met dat oordeel miskent de rechtbank in het voetspoor van het Uwv evenwel dat het verslag van de hoorzitting geen ruimte laat voor een andere opvatting dan die dat ter hoorzitting een afspraak is gemaakt waaraan het Uwv, althans de bezwaarverzekeringsarts, zich in beginsel had te houden. De Raad ziet zich hier gesteld voor de vraag of er sprake is van omstandigheden die een inbreuk op dat beginsel kunnen rechtvaardigen.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende in aanmerking genomen.

Zoals hiervoor vermeld was appellante op 7 juli 2003 niet (meer) onder medische behandeling, al gebruikte zij naar eigen zeggen wel de haar voorgeschreven pijnstillers, en was uitgebreide informatie van de huisarts in het medisch dossier aanwezig.

Ter hoorzitting is alleen het gebruik van de daar door appellante getoonde en door de bezwaarverzekeringsarts genoteerde medicijnen van andere behandelaars ter sprake geweest. Appellante heeft ook niet gesteld en evenmin is op andere wijze helder geworden dat zij op dàt moment (6 februari 2004) onder medische behandeling bij haar huisarts dan wel bij een specialist was of sedert 7 juli 2003 was geweest. Aannemelijk is dat het verslag van de hoorzitting eerst in het dossier is opgenomen nadat het bestreden besluit is genomen. Voorts is voorstelbaar dat de ter hoorzitting aanwezige bezwaarverzekeringsarts het verhandelde ter hoorzitting niet heeft ervaren als een (keiharde) afspraak om bij de huisarts gegevens op te vragen en na bestudering van het gehele medische dossier (welke haar aanleiding heeft gegeven de FML aan te scherpen) geen aanleiding heeft gezien gegevens bij de huisarts op te vragen. Een aanwijzing daarvoor is dat appellante in haar aanvullende beroepschrift bij de rechtbank heeft gesteld enerzijds dat zij ter hoorzitting de indruk heeft gekregen en anderzijds dat het Uwv ter hoorzitting de indruk heeft gegeven dat vanwege het Uwv bij haar huisarts relevante aanvullende gegevens zouden worden opgevraagd. Wat daarvan ook zij, de Raad acht doorslaggevend dat appellante, in de wetenschap dat de bezwaarverzekeringsarts ervan had afgezien gegevens bij haar huisarts op te vragen en stellende dat over al haar aandoeningen bij de huisarts veel gegevens voorhanden zijn, al die jaren in beroep en in hoger beroep heeft nagelaten zelfs maar te proberen enige medische verklaring ter ondersteuning van haar standpunt en ter ondermijning van de stellingname door het Uwv te verkrijgen en vervolgens in het geding te brengen. Gaandeweg de procedures is het op de weg van appellante komen te liggen om aan de hand van medische verklaringen te proberen de rechtbank en vervolgens de Raad ervan te overtuigen dat het standpunt van het Uwv niet langer houdbaar is.

Gelet op de toen voorhanden medische gegevens heeft de rechtbank ook niet ten onrechte onvoldoende aanleiding gezien een nader onderzoek door een onafhankelijke medische specialist te doen instellen.

Het door appellante ter zitting gedane verzoek om een nader onderzoek door een medische specialist te doen instellen of anders haar een termijn te stellen, opdat zij in staat zal zijn tot overlegging van het resultaat van de op 11 april 2007 gemaakte scan, komt niet voor inwilliging in aanmerking. Het gaat bij die scan om een momentopname en er is geen enkele concrete aanwijzing voorhanden dat er aanleiding bestaat om het resultaat van dat onderzoek te betrekken op de datum thans in geding (11 januari 2004), inmiddels meer dan drie jaren geleden, een periode waarin - zo heeft zij ter zitting gesteld - haar toen bestaande klachten zijn verergerd en er nieuwe klachten zijn bijgekomen. Niet de gestelde diagnose (een ernstige vorm van artrose onder in de rug waarvoor zij driemaal per week onder behandeling van een fysiotherapeut is, aldus appellante) is doorslaggevend, maar de beperkingen die als gevolg van die aandoening per de datum in geding kunnen worden vastgesteld.

Een medisch onderzoek naar haar huidige gezondheidstoestand, waarop appellante ter zitting van de Raad heeft aangedrongen, kan niet aan de orde komen, nu de datum in geding 11 januari 2004 is.

Met hetgeen appellante heeft aangevoerd, is zij er niet in geslaagd aan te tonen dat zij ten tijde in geding in medisch opzicht meer was beperkt dan bij de door de bezwaarverzekeringsarts op 22 maart 2004 aangescherpte FML is vastgesteld.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft is de Raad evenmin als de rechtbank kunnen blijken dat appellante, gegeven die FML, per 11 januari 2004 niet in staat was te achten de aan haar voorgehouden, aan de schatting ten grondslag gelegde functies volledig te vervullen.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en dient bijgevolg de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris - van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.