Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
06/574 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie. Geen verzwarende omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 203
ABkort 2007/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/574 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]o (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 december 2005, 05/679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 3 april 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft zich op 6 oktober 2004 gemeld om in aanvulling op haar inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden een bijstandsuitkering aan te vragen over de periode van 28 september 2004 tot 3 november 2004. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij onvoldoende inkomsten heeft om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan aangezien haar echtgenoot in verband met de vervulling van zijn militaire dienstplicht tijdelijk in Turkije verblijft.

Bij besluit van 24 november 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen en appellante meegedeeld dat de bijstand over de periode van 28 september 2004 tot 3 november 2004 wordt verlaagd met 100% wegens het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College aan de weigering van de bijstand over de periode van 28 september 2004 tot 6 oktober 2004 alsnog ten grondslag heeft gelegd dat appellante zich eerst op 6 oktober 2004 heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

5 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het College de bijstand van appellante over de periode van 6 oktober 2004 tot

3 november 2004 terecht heeft verlaagd met 100% wegens het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmings-verordening Wet werk en bijstand van de gemeente Venlo (hierna: Afstemmings-verordening). Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt, indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB heeft betoond, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belang-hebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, bij een periode van

3 maanden of korter de verlaging als bedoeld in het eerste lid vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm gedurende

1 maand. Artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor een dringende reden aanwezig acht.

Vaststaat dat de echtgenoot van appellante van 28 september 2004 tot 3 november 2004 in verband met de vervulling van zijn militaire dienstplicht in Turkije heeft verbleven. Het moet appellante geruime tijd voordien duidelijk zijn geweest dat zij als gevolg daarvan ten tijde hier van belang zou komen te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Gelet daarop had het op de weg van appellante gelegen om (tijdig) al het redelijkerwijs mogelijke te doen om bijstandsbehoevendheid te voorkomen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante eerst vanaf 29 september 2004 sollicitatieactiviteiten heeft verricht en dat zij zich pas op 6 oktober 2004 als werk-zoekende bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) heeft laten inschrijven. Voorts blijkt dat appellante direct bemiddelbaar is (fase 1) en in staat moet worden geacht om binnen enkele weken aanvullend werk te vinden. Gemachtigde van appellante heeft tijdens de hoorzitting van 31 januari 2005 verklaard dat appellante sinds kort een fulltime baan heeft. Gelet op het vorenstaande houdt de Raad het ervoor dat appellante door niet tijdig te solliciteren en zich als werkzoekende bij het CWI te laten inschrijven, is komen te verkeren in bijstandsbehoevende omstandigheden, zodat sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

Met betrekking tot de hoogte en de duur van de verlaging van de bijstand overweegt de Raad als volgt. Aangezien de periode dat appellante als gevolg van haar gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand korter dan drie maanden heeft geduurd, diende het College op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmings-verordening de verlaging van de bijstand vast te stellen op 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Anders dan het College heeft de Raad in de ter beschikking staande gegevens geen verzwarende omstandigheden aanwezig geacht om op grond van artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening af te wijken van de in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening voorgeschreven verlaging. De Raad merkt in dit verband op dat de gedingstukken onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante en haar echtgenoot in de periode voordat laatstgenoemde in verband met de vervulling van zijn militaire dienstplicht in Turkije verbleef zonder meer in staat moeten zijn geweest om voldoende te reserveren om appellante in staat te stellen die periode te overbruggen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het besluit van 5 april 2005 voorzover dat betrekking heeft op de verlaging van de bijstand over de periode van 6 oktober 2004 tot 3 november 2004, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de Raad dat de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellante, de mate waarin haar die gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin zij verkeert aanleiding geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging van de bijstand vast te stellen op minder dan 10% van de bijstandsnorm of gedurende een kortere periode dan een maand. In hetgeen appellante tot nu toe heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen dringende reden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening.

Bij zijn nadere besluitvorming zal het College tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek van appellante om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 april 2005 voorzover dat betrekking heeft op de verlaging van de bijstand over de periode van 6 oktober 2004 tot 3 november 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Venlo;

Bepaalt dat de gemeente Venlo aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.