Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
05-2325 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. CVS. Beperkingen onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2325 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 maart 2005, 03/1699 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Caubo, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was voor 38 uur per week werkzaam als (junior) letselschadejurist toen zij zich op 22 maart 2001 voor haar werkzaamheden ziek heeft gemeld in verband met lage rugklachten, gevolgd door de ziekte van pfeiffer. Het Uwv heeft appellante, na ommekomst van de wachttijd met ingang van 21 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hieraan lag het oordeel van verzekeringarts K. Steketee ten grondslag, zoals neergelegd in zijn rapportage van 28 mei 2002, dat appellante op dat moment en bij einde wachttijd op 20 maart 2002 medisch volledig arbeidsongeschikt te achten was.

Appellante is in het kader van de eerstejaars herbeoordeling op 22 januari 2003 onderzocht door verzekeringsarts

M.R.M. Enneking. Hoewel appellante tijdens dat onderzoek had aangegeven nog met ernstige vermoeidheidsklachten te kampen, en zij voorts klaagde over concentratiezwakte en vergeetachtigheid, heeft Enneking bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen kunnen constateren bij appellante en constateerde hij verder dat appellante geen tekenen van psychopathologie vertoonde. Ook voor de door appellante geclaimde vergeetachtigheid en concentratiezwakte heeft de verzekeringsarts geen aanwijzingen gevonden. Omdat appellante niet de indruk maakte een en ander (bewust) te aggraveren of te simuleren heeft Enneking aanleiding gezien om beperkingen te formuleren ten aanzien van dynamische en statische handelingen. Appellante is naar zijn oordeel belastbaar voor arbeid mits deze voldoet aan de beperkingen zoals neergelegd in de op

24 januari 2003 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Enneking heeft in nadien door appellante toegezonden medische verklaringen van haar (waarnemend) huisarts

M.L. Landheer en van psychiater R.J. Stoffelsen, beiden gedateerd 26 februari 2003, en na telefonisch overleg met Landheer, geen aanleiding gezien om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

De arbeidsdeskundige H.G.P. van der Hoogte concludeerde in zijn rapportage van 11 maart 2003 dat appellante geschikt te achten was voor haar eigen werk, waarna het Uwv bij besluit van 21 maart 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van

12 mei 2003 heeft ingetrokken.

Dit besluit is bij besluit op bezwaar van 9 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt de conclusie van bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg, zoals verwoord in zijn rapportage van 3 juli 2003, ten grondslag dat de in bezwaar overgelegde informatie van de curatieve sector, waaronder een brief van 6 mei 2003 van de internist C.A. Geldermans en een brief van 29 april 2003 van psychiater Stoffelsen, hem geen aanleiding geven te veronderstellen dat appellante niet in staat zou zijn lichte, lichamelijk niet belastende werkzaamheden te verrichten gedurende een volledige werkdag. Bezwaararbeidsdeskundige Y.M. Bekema heeft blijkens zijn rapportage van 3 juli 2003 evenmin aanleiding gezien tot wijziging van het primaire arbeidskundig oordeel.

Appellante heeft in beroep de juistheid van het bestreden besluit betwist. Zij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat de bij haar bestaande en met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) en de ziekte van Pfeiffer verband houdende medische beperkingen in ernstige mate zijn onderschat door het Uwv. Appellante voegde daaraan toe dat de behandelende artsen de door haar geuite klachten uiterst serieus nemen en dat de door haar gevolgde cognitieve gedragstherapie bezwaarlijk te combineren is met het (fulltime) hervatten van de werkzaamheden. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van appellante voorts ten onrechte geen rekening gehouden met de bij haar bestaande en met een conversiestoornis samenhangende beperkingen in het persoonlijk en het sociaal functioneren. Verwezen wordt naar een op 7 januari 2004 gedateerde verklaring van klinisch psycholoog J. Van der Pijl (met een bijgevoegde brief van revalidatie-arts H.W.J. Rockx).

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een tweetal rapportages van bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg van 3 november 2003 en 23 februari 2004 geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen. Daarbij wees Ruitenberg er onder andere op dat appellante ter hoorzitting had aangegeven dat de cognitieve gedragstherapie is beperkt tot een frequentie van eens per twee weken.

Op verzoek van de rechtbank heeft psychiater R. Tonneijck van verslag en advies gediend in een rapportage die op 2 augustus 2004 door de rechtbank is ontvangen. Tonneijck concludeerde na appellante te hebben onderzocht dat hem geen evidente psychopathologie in engere zin gebleken is. Er is zijn inziens ook geen sprake van een conversie of een persoonlijkheidsstoornis, maar wel van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, hetgeen hem een milde aandoening leek. Een ziekte of gebrek kon door hem niet worden vastgesteld. Vanuit zijn psychiatrische ervaring stelde hij wel vast dat appellante diep lijdt en duidelijke beperkingen heeft. De FML behoefde naar het oordeel van Tonneijck op verschillende punten aanpassing (waaronder staan en lopen). Ook kon appellante naar zijn inschatting niet langer dan drie uur per dag achtereen werken.

De gemachtigde van appellante heeft na kennisneming van de rapportage van Tonneijck gesteld dat er geconstateerd moet worden dat bij de betrokken artsen sprake is van een eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting dat appellante als gevolg van ziekte niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. Het bestreden besluit berustte zijn inziens derhalve op een onjuiste medische grondslag.

Blijkens zijn rapportage van 16 augustus 2004 is bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg van oordeel dat de conclusies van Tonneijck niet stroken met het schattingsbesluit en de milde psychiatrische diagnose.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak aanleiding gezien om Tonneijck te volgen in zijn oordeel dat er geen sprake is van een conversie. Ten aanzien van de grief van appellante dat zij bekend is met CVS en hiervan beperkingen ondervindt, heeft de rechtbank overwogen dat de conclusie van appellants huisarts dat appellante voldoet aan de criteria voor CVS, welke conclusie door de internist Geldermans min of meer is onderschreven, onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat appellante arbeidsbeperkingen heeft die het gevolg zijn van ziekte of gebrek. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat Tonneijck expliciet heeft aangegeven dat hij geen ziekte of gebrek heeft kunnen vaststellen als verklaring voor de klachten van appellante, en psychiater Stoffelsen en (in zekere zin) revalidatie-arts Rockx dit standpunt deelden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante gestelde vermoeidheidsklachten alleen door psycholoog Van der Pijl zijn geobjectiveerd, maar deze objectivering, gelet op de rapportage van Tonneijck, verworpen dient te worden.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat een objectief medisch verband met ziekte of gebrek ook niet aangenomen kan worden op de grond dat bij de (onafhankelijk) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestond dat verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was de betreffende arbeid te verrichten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het stellen van de diagnose CVS door de huisarts en de internist geen afdoende medische objectivering is van de beperkingen van appellante, en dit ook geldt voor de op zijn psychiatrische ervaring gebaseerde conclusie van de deskundige dat appellante diep lijdt en beperkingen heeft. Dit geldt in het bijzonder voor de door hem vastgestelde lichamelijk beperkingen. Dit heeft de rechtbank ertoe doen besluiten de door haar geraadpleegde psychiater niet te volgen in zijn oordeel dat de verzekeringsartsen bij de opstelling van de FML de beperkingen van appellante hebben onderschat. De medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit konden naar het oordeel van de rechtbank de aan te leggen rechterlijke toets doorstaan.

Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante stelde als gevolg van de CVS zeer verdergaande beperkingen te ervaren in haar dagelijks functioneren en stelde voorts dat Tonneijck wel een ziekte of gebrek geconstateerd had. Tonneijck heeft een ongedifferentieerde somatoforme stoornis vastgesteld en heeft daaraan volgens haar duidelijke consequenties verbonden voor de belastbaarheid van appellante. Verder stelt appellante dat uit de beschikbare medische informatie wel degelijk blijkt van een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting dat zij haar eigen werk niet kan verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust. De Raad onderschrijft daarbij hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen en voegt daar nog het volgende aan toe.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen is uit de enkele diagnose ‘ongedifferentieerde somatoforme stoornis’ niet af te leiden dat er sprake is van een ziekte of gebrek maar moet er telkens aan de hand van de gegevens in het concrete geval beoordeeld worden of er sprake is van medisch objectiveerbare beperkingen voor het verrichten van arbeid.

Hoewel Tonneijck blijkens zijn rapportage van oordeel was dat appellante duidelijke beperkingen heeft en appellante naar zijn inschatting ook niet langer dan drie uur per dag zou kunnen werken, kunnen deze beperkingen, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, medisch niet geacht worden afdoende te zijn geobjectiveerd omdat Tonneijck geen ziekte of gebrek heeft kunnen vaststellen. Dat Tonneijck zijn conclusie heeft gebaseerd op zijn psychiatrische ervaring is, in het licht van de wettelijke vereisten verbonden aan het aannemen van arbeidsongeschiktheid, onvoldoende om als grondslag van die conclusie te kunnen dienen.

Internist C.A. Geldermans heeft blijkens zijn brief van 6 mei 2003 vastgesteld dat hem uit EBV serologie is gebleken dat er sprake is van een geprotraheerd beloop (na EBV infectie), dan wel een latent infect. Deze vaststelling heeft bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg in zijn rapportage van 3 juli 2003 echter geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen omdat deze lichte afwijkingen van de bloedchemie de matige conditie van appellante niet konden verklaren. Dit oordeel komt de Raad niet onjuist voor.

De Raad is voorts evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden van oordeel dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt van een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting dat appellante haar eigen werk niet kan verrichten of dat bepaalde beperkingen zijn onderschat.

Gelet op het voorgenoemde slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.