Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
03-6075 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Onafhankelijke door rechter ingeschakelde deskundige in principe volgen. Bijzonder geval?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6075 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 november 2003, 03/1558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2005. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het vooronderzoek niet volledig is geweest en heeft het onderzoek heropend. Vervolgens heeft de Raad zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman als deskundige benoemd. Deze heeft met assistentie van I. Osinga, psycholoog, appellant onderzocht en van zijn bevindingen op 15 februari 2006 rapport uitgebracht aan de Raad. De gemachtigde van appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 november 2006. Vervolgens heeft de Raad wederom het onderzoek heropend en Kemperman gevraagd een oordeel te geven over de reactie van appellant en een specifieke vraag voorgelegd. Bij schrijven van 22 november 2006 en 14 december 2006 heeft Kemperman een toelichting op zijn rapport gegeven. Hierna heeft de gemachtigde van appellant de zienswijze van appellant hierop kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts een reactie gegeven.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van de Raad op 13 april 2007. Evenals bij de eerdere zittingen is appellant in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Van Gorkum, voornoemd. Het Uwv was bij de eerdere zittingen vertegenwoordigd door mr. M. de Graaff respectievelijk

drs. J.C. van Beek en ditmaal door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als schilder totdat hij op 15 oktober 1996 uitviel met een whiplash trauma ten gevolge van een aanrijding. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) toegekend, berekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 10 september 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering in het kader van de vijfde-jaars herbeoordeling per

29 oktober 2002 (datum in geding) ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 4 april 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 september 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich daarmee niet kunnen verenigen. Hij is van mening dat zijn medische beperkingen niet goed zijn onderkend door het Uwv. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat er bij hem al na enige inspanning een spierspanning optreedt die hem in zijn functioneren belemmert. Met zijn beperkingen kan hij de hem voorgehouden functies niet vervullen. Voor zijn mening is steun te vinden in onder meer de rapporten van neuroloog dr. E.L.E.M. Bollen van

22 augustus 2000 en psychiater M.H. Oeberius Kapteijn van

8 januari 2002, aldus appellant.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig is verricht. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts en de voorhanden zijnde medische gegevens zijn meegewogen. Er zijn beperkingen opgenomen voor onder andere concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, spreken, omgaan met conflicten en samenwerken. Bovendien is appellant aangewezen op volledig voorgestructureerd werk met vaste, bekende werkwijzen zonder afleiding door activiteiten van anderen en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen alsook zonder veelvuldige deadlines of produktiepieken. Niet gebleken is dat appellant meer of anders beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De appellant voorgehouden functies zijn passend, aldus het Uwv.

De Raad heeft Kemperman als deskundige benoemd. In zijn rapport komt Kemperman - heel kort gezegd - tot het standpunt dat op het moment van het onderzoek er geen psychiatrische of neurologische afwijkingen zijn geconstateerd en dat de situatie op de hier in geding zijnde datum hetzelfde is als ten tijde van het onderzoek op 16 januari 2006. Er is geen reden om aan te nemen dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegde beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. Voorts is Kemperman van mening dat de geduide functies passend zijn te achten. Kemperman acht een nader deskundigen-onderzoek niet nodig.

Vervolgens heeft Kemperman - desgevraagd - zijn zienswijze over spierspanning na inspanning kenbaar gemaakt. Hij heeft aangegeven dat het onderzoek niet plaats heeft gevonden nadat appellant bijvoorbeeld eerst een tijd heeft moeten hardlopen. Een onderzoek dat op dergelijke (soortgelijke) wijze is uitgevoerd, heeft objectief gezien vanuit neurologisch onderzoek geen meerwaarde. Kemperman handhaaft zijn mening dat er bij appellant per de datum in geding geen afwijkingen zijn geconstateerd.

De Raad overweegt als volgt.

In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.

De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Kemperman met assistentie van een psycholoog een uitgebreid onderzoek heeft verricht en kennis heeft genomen van de in het dossier aanwezige (medische) stukken. Hij heeft voorts uitgebreid zijn bevindingen gerapporteerd en de vragen van de Raad beantwoord. Tevens heeft hij (desgevraagd) zijn zienswijze, met name wat de door appellant gestelde gevolgen van spierspanningsopbouw bij inspanning betreft, toegelicht. Het rapport en de daarin vermelde conclusies van Kemperman zijn zorgvuldig, consistent en naar behoren gemotiveerd.

De Raad oordeelt vervolgens dat Kemperman genoegzaam heeft uitgelegd waarom hij geen onderzoek heeft verricht nadat appellant zich lichamelijk heeft moeten inspannen. De Raad kan zich hierin vinden en verwijst naar de vaste jurisprudentie van de Raad betreffende onderzoeksmethoden waarbij aan de hand van door de onderzochte persoon te verrichten praktijktesten getracht wordt diens belastbaarheid in beeld te brengen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van

13 december 1994 en 28 januari 2003, gepubliceerd in RSV 1995/129 respectievelijk 2003/75).

Ook in de stukken van Bollen treft de Raad geen aanknopingspunten aan om van bovenstaande hoofdregel af te wijken. De Raad overweegt hiertoe dat Bollen op pagina 5 van zijn rapport van 22 augustus 2000 heeft geschreven dat er bij appellant sprake is van restklachten. Objectiveerbare restafwijkingen zijn er op neurologisch gebied niet. Er zijn dus op neurologisch gebied ook geen objectiveerbare beperkingen, aldus Bollen.

De Raad benadrukt dat het bij het vaststellen van beperkingen in het kader van een WAO-beoordeling gaat om beperkingen die objectiveerbaar zijn. Van de zijde van appellant zijn geen van een medicus afkomstige stukken waaruit blijkt dat appellant meer objectiveerbare beperkingen heeft dan reeds door het Uwv zijn aangenomen, ingebracht. De Raad is voorts van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat er ten tijde in geding sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-richtlijn). In die richtlijn is bepaald dat indien er sprake is van moeilijk objectiveerbare aandoeningen, het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten kunnen worden aangetoond, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. Om het bestaan van een uitzonderingsgeval aan te nemen, moet zijn voldaan aan de (minimum)eis dat bij de onafhankelijke medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is arbeid te verrichten. Van het bestaan van een zodanige opvatting kan uit de stukken niet blijken.

De Raad ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek van appellant om een andere deskundige te benoemen, in te willigen. De Raad acht zich door Kemperman voldoende voorgelicht op neurologisch en psychiatrisch vlak. De Raad overweegt hiertoe tevens dat Kemperman een nader onderzoek door een andere deskundige niet geïndiceerd acht.

Het is de Raad niet gebleken dat de medische component van de schatting een gebrek vertoond, zodat uitgegaan wordt van de juistheid van de FML.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Met betrekking tot de diploma-eis bij de functie spuiter poederverf oordeelt de Raad dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat appellant met zijn diploma LTS schilderen aan de gestelde diploma-eis voldoet.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J. H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris- van Huussen.