Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
05-4012 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Is medisch onderzoek zorgvuldig geweest?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4012 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 mei 2005, 04/2182 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. P.H.H.J. Krijnen. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Nadat betrokkene in oktober 2000 wegens rugklachten was uitgevallen als schoonmaker, heeft hij bij het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken in oktober 2001 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gekregen, daar hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Betrokkene werd hierop in het kader van een reïntegratietraject herplaatst als productiemedewerker. Uit een verzekeringsgeneeskundig rapport van 15 juni 2004 komt naar voren dat betrokkene op 11 april 2003 ook uit deze functie is uitgevallen wegens rugklachten.

De verzekeringsarts van appellant heeft betrokkene onderzocht en heeft beperkingen vastgesteld die hij heeft opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarna de arbeidsdeskundige, uitgaande van die FML, heeft geconcludeerd dat betrokkene met verschillende passend te achten werkzaamheden nog een zodanig inkomen kan verwerven dat ten opzichte van het maatgevende inkomen geen sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit.

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft appellant vervolgens geweigerd om betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen, op de grond dat hij op 8 mei 2003 gedurende vier weken arbeidsongeschikt is geweest en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in aansluiting daarop minder dan 15% is.

Bij besluit van 11 november 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het door betrokkene tegen het besluit van

12 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Betrokkene heeft in beroep tegen het bestreden besluit zijn in bezwaar naar voren gebrachte grieven staande gehouden. Deze grieven komen, samengevat weergegeven, erop neer dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat hij zwaarder beperkt is dan door appellant is aangenomen, dat hij in het geheel niet in staat is arbeid te verrichten en dat - dus ook - de bij de schatting in aanmerking genomen functies door hem niet kunnen worden uitgeoefend.

De rechtbank heeft op grond van de onderliggende stukken geconcludeerd dat appellant heeft nagelaten te beoordelen of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO. In het kader van die bepaling is, aldus de rechtbank, van belang of er sprake is van arbeidsongeschiktheid en of die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellant tijdens het onderzoek deze vragen heeft beantwoord. Op grond van de stukken kan volgens de rechtbank enkel worden vastgesteld dat betrokkene op de datum in geding beperkingen ondervond; de vragen of deze beperkingen al langer bestonden, en of sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van een eerdere WAO-beoordeling, zijn op geen enkele wijze beantwoord.

In verband hiermee is volgens de rechtbank het vanwege appellant ingestelde onderzoek niet zorgvuldig geweest en kan het bestreden besluit alleen al om die reden niet in stand blijven.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant slaagt.

De Raad stelt met appellant vast dat het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag mist. Zoals appellant in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, komt uit de gedingstukken met genoegzame duidelijkheid naar voren dat bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 43a van de WAO.

De Raad wijst in dit verband - onder meer - op:

- het rapport van de primaire verzekeringsarts van 15 juni 2004 waarin wordt aangegeven dat bij betrokkene sprake is van dezelfde ziekteoorzaak (als destijds bij de eerdere uitval in oktober 2000), te weten chronische lage rugklachten;

- het arbeidskundig rapport van 8 juli 2004 waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat, nu sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, “Amber” van toepassing is;

- het bestreden besluit zelf, waarin aan betrokkene met inachtneming van een wachttijd van vier weken, derhalve de wachttijd als bedoeld in artikel 43a van de WAO, toekenning van uitkering wordt geweigerd en in de artikelenopsomming waarvan die bepaling ook expliciet wordt genoemd.

Voor zover de rechtbank bij de door haar gevolgde benadering mee heeft laten wegen dat naar haar oordeel op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld of bij betrokkene, ten opzichte van de voor hem destijds bij de beoordeling in oktober 2001 vastgestelde beperkingen, sprake is van toegenomen beperkingen, merkt de Raad in de eerste plaats op dat, naar van de zijde van appellant ter zitting is aangegeven en naar voorts blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 oktober 2004, door die arts een extra beperking voor betrokkene van toepassing is geacht inzake beroepsmatig autorijden, zulks in verband met het gebruik door betrokkene voor zijn aandoening van bepaalde medicijnen.

De Raad houdt het voor aannemelijk - volstrekte zekerheid bieden de stukken op dit punt overigens niet - dat het destijds vastgestelde belastbaarheidspatroon een zodanige beperking nog niet kende. Daarvan uitgaande is appellant, in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad - de Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van

25 april 2001, gepubliceerd in onder mee RSV 2001, 149 - na het verzekeringsgeneeskundige onderzoek overgegaan tot het instellen van een arbeidskundig onderzoek.

Overigens valt niet in te zien op welke wijze betrokkene bij beoordeling van zijn aanspraken op uitkering op grond van artikel 43a van de WAO zou kunnen zijn benadeeld als gevolg van een eventueel verzuim van appellant om te beoordelen of bij betrokkene sprake is van een toename van de oorspronkelijke beperkingen, nu de afwezigheid van een dergelijke toename ingevolge de hiervoor vermelde rechtspraak op zich reeds een toereikende basis zou vormen voor weigering van uitkering met toepassing van die bepaling.

De Raad stelt aldus vast dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd om reden dat onderzoek van appellant niet zorgvuldig is geweest wegens het verzuim te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO en in verband daarmee eveneens ten onrechte niet is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de in het bestreden besluit vervatte weigering om betrokkene met ingang van 9 mei 2003 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.

De Raad ziet aanleiding dienaangaande zelf tot een eindoordeel te komen, waarbij hij in aanmerking neemt dat partijen - in het bijzonder betrokkene - niet om terugwijzing naar de rechtbank hebben verzocht in geval de door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte grieven zouden slagen en voorts nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen aangetroffen voor de stelling dat het vanwege appellant ingestelde medische onderzoek niet volledig of anderszins onzorgvuldig is geweest. In het bijzonder zijn er geen aanknopingspunten dat de verzekeringsartsen van appellant een onjuist of onvolledig beeld voor ogen heeft gestaan van de gezondheidssituatie van betrokkene ten tijde hier van belang.

Bij de vaststelling van de voor betrokkene van toepassing te achten beperkingen door de primaire verzekeringsarts is, naast de resultaten van eigen medisch onderzoek door die arts, ook informatie van de behandelend artsen in de beoordeling betrokken. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief-medische gronden om het aldus vastgestelde belastbaarheidspatroon, zoals dat in de bezwaarfase nog een aanscherping heeft gekregen met de hiervoor vermelde beperking inzake beroepsmatig autorijden, niet juist te achten.

Daarvan uitgaande, zijn er evenmin gronden om de in aanmerking genomen functies niet als passend te aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat zich in die functies overschrijdingen voordoen van de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid.

Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.