Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
05-2838 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Maatmaninkomen. Aanwezigheidsbonus. Geen toepassing art. 8:72 lid 4 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2838 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 april 2005, 04/1130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Appellant is verschenen bij mr. Meuwissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als packing-operator bij [werkgever]. Per 19 september 2002 heeft appellant zich ziek gemeld. In verband met zijn aanvraag om een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellant op 5 september 2003 onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Nadat deze de beperkingen die appellant ondervond had vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aan het einde van de wettelijke wachttijd, in casu per 18 september 2003 berekend. Dat leidde tot het besluit van 11 november 2003 waarbij die mate van arbeidsongeschiktheid per die datum werd gesteld op 25 tot 35%.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In het kader daarvan is het dossier van appellant bezien door een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts. Deze zag geen aanleiding om de FML aan te passen. De betrokken bezwaararbeidsdeskundige heeft echter aanleiding gezien om het maatmanloon bij te stellen. Dat leidde bij gelijkblijvende geduide functies tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 18 september 2003. In het thans bestreden besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv die conclusie neergelegd.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het medisch onderzoek volledig en voldoende zorgvuldig was. Voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die aanleiding geeft tot twijfel bij de beoordeling door het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank moest appellant in staat worden geacht om de geduide functies te vervullen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het maatmanloon juist heeft vastgesteld en dat derhalve ook de mate van arbeidsongeschikt juist was vastgesteld.

De Raad oordeelt als volgt.

Ter zitting is namens het Uwv gesteld dat, mede naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971, AY9973, CBBS-2, AY9974, AY9976 en AY9980), de op appellant van toepassing zijnde FML is bijgesteld, hetgeen vervolgens heeft geleid tot een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding naar de klasse 45 tot 55%. De nadere onderbouwing van dat standpunt heeft het Uwv aan de hand van een groot aantal stukken ter zitting willen leveren. Gelet echter op het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en mede gelet de toelichting die het Uwv in het kader van de problematiek die aan de orde was in de hiervoor genoemde uitspraken van 12 oktober 2006 heeft verstrekt, ziet de Raad geen aanleiding om deze stukken in het geding te betrekken. Aangezien het Uwv zich, gelet op de stellingen ter zitting, thans op het standpunt stelt dat het bestreden besluit niet juist is en de Raad op basis van de voorhanden zijnde stukken niet kan beoordelen in hoeverre het nieuwe standpunt juist geacht kan worden, ziet de Raad geen aanleiding om het verzoek van het Uwv te honoreren om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, en zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. Dat brengt mee dat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad voegt daar nog aan toe dat ook om een andere reden het bestreden besluit onjuist is. Uit de stukken is voldoende duidelijk naar voren gekomen dat appellant, ware hij niet ziek geworden, aanspraak kon maken op een aanwezigheidsbonus. Bij de stukken bevindt zich een getekende verklaring van de werkgever van appellant waarin daarvan niet alleen de bevestiging is te vinden, maar waarin ook het betreffende bedrag is genoemd. Het Uwv heeft slechts in zoverre met de toekenning van dat bedrag rekening gehouden, dat dat bedrag evenredig is verdeeld over drie jaren voorafgaand aan de uitval wegens ziekte van appellant. Gelet op zowel de inhoud van het loonbegrip uit de WAO als het uitgangspunt van die wetgeving is de Raad van oordeel dat het Uwv aldus die aanwezigheidsbonus op een onjuiste wijze in het maatmaninkomen tot uitdrukking heeft gebracht. Aangezien die bonus per jaar werd betaald, had het Uwv die bonus naar evenredigheid moeten toerekenen naar het aantal uren dat appellant per jaar werkte. Ook om die reden komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die appellant heeft moeten maken voor het voeren van dit geding welke kosten worden bepaald op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en

€ 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,-- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- (€ 103,-en € 37,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.