Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
06/2353 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Niet woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2353 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 maart 2006, 05/404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van Dalen, voornoemd. Voor het College is verschenen mr. F.H. Grommers, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) de bijstand van appellant met ingang van 29 oktober 2004 ingetrokken. Daarbij heeft het College overwogen dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres. Nu hij niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, kan niet worden bepaald of hij nog langer recht op uitkering heeft. Tevens heeft het College overwogen dat rekening houdend met alle omstandigheden er geen redenen zijn om een uitzondering te maken.

Met ingang van 15 november 2004 is aan appellant weer bijstand verleend.

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het College (onder meer) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen deze uitspraak.

De Raad komt tot de volgende de beoordeling.

Mede gelet op zijn uitspraak van heden, met kenmerk 06/2352 WWB, welke uitspraak onder meer ziet op de intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand aan appellant over de periode van 30 september 1999 tot en met 31 augustus 2004, heeft de Raad in het door appellant in hoger beroep aangevoerde geen aanknopingspunten kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Met de rechtbank en met overneming van de door haar gebezigde overwegingen is de Raad van oordeel dat ook voor de in dit geding aan de orde zijnde periode van 29 oktober 2004 tot en met 14 november 2004 appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het College bevoegd was de aan appellant over genoemde periode verleende bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Het College voert het beleid dat hij in beginsel steeds tot intrekking van ten onrechte verleende bijstand overgaat en daar slechts van afziet indien dringende redenen daartoe nopen. Zoals de Raad in zijn uitspraak van heden, met kenmerk 06/2352 WWB, heeft overwogen gaat dit beleid in gevallen als het onderhavige, waarin als gevolg van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand is verleend, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid heeft besloten tot intrekking over de eerder genoemde periode en evenmin dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter G. van der Wiel en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.