Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
05-6960 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim? Berisping. Overplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6960 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 oktober 2005, 04/1029 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, verbonden aan Utrechtse Juristen Groep. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage, en

J.H. Koetsenruijter, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is sedert 1 oktober 1994 geplaatst in de functie van [naam functie] [naam wijk 1] bij de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Dordrecht. Vanaf 1 mei 2001 is appellant tevens aangewezen als toezichthouder/beheerder van het [naam park], in welke functie hij belast is met het openen en sluiten van de hekken van het park. Tevens heeft appellant een signalerende taak bij het beheer van het park en is hem de tuinmanswoning in het park ter bewoning ter beschikking gesteld.

1.2. Op 2 juli 2003 is door de burgemeester per brief aan appellant meegedeeld dat hij definitief besloten had af te zien van de toekenning van de status van bijzonder opsporingsambtenaar aan appellant. Naar het oordeel van de burgemeester behoort het toezicht in het park te geschieden door toezichthouders van de afdeling Stadstoezicht.

1.3. Bij besluit van 19 januari 2004 is appellant op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Basisregeling Arbeidsvoorwaarden Gemeente Dordrecht de straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens het overtreden van een hem opgelegd verbod door op 11 december 2003 de hekken van het park te openen. Voorts is hij bij dat besluit op grond van artikel 15:1:10 van genoemde regeling met ingang van 1 februari 2004 overgeplaatst, in zijn functie van [naam functie], van de wijk [naam wijk 1] naar de wijk [naam wijk 2].

1.4. Bij het bestreden besluit van 15 september 2004 heeft het college het tegen deze besluiten door appellant gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. De berisping

4.1. Door appellant is betwist dat hem voor 11 december 2003 bekend is gemaakt dat hij zijn taak om de hekken van het park te openen en te sluiten niet meer mocht uitoefenen. Het college heeft hiervoor gewezen op een op 4 december 2003 met appellant gehouden gesprek waarbij een notitie of memo met hem zou zijn besproken, waarin dit verbod was opgenomen. Uit het op 10 december 2003 gedateerde, door de gespreksleider zelf opgestelde verslag van dit gesprek blijkt echter dat aan appellant meegedeeld is dat het een conceptnotitie betrof, die wellicht als definitief kon worden beschouwd, doch dit pas zou worden indien een bepaald persoon, die de notitie nog niet had gezien en goedgekeurd, zou hebben gereageerd. In het verslag wordt voorts nog vermeld dat dit laatste op 10 december 2003 gebeurd is. De Raad acht het aannemelijk dat, indien aan appellant tijdens dit gesprek een ongeclausuleerd verbod zou zijn opgelegd om de hekken van het park nog langer te openen en te sluiten, de opsteller van het verslag dit ondubbelzinnig in het verslag zou hebben vermeld. Dat is echter niet gebeurd. Het voorgaande wettigt de conclusie dat appellant op grond van het op 4 december 2003 gehouden gesprek niet er vanuit behoefde te gaan dat het verbod reeds van kracht was.

Vervolgens heeft het college gesteld dat het memo, gedateerd op 10 december 2003, waarin het verbod is opgenomen, op 10 december aan appellant is aangeboden, en dat deze geweigerd heeft dit in ontvangst te nemen. Door appellant is deze aanbieding betwist. Het college heeft geen nadere, concrete gegevens kunnen verstrekken omtrent de wijze waarop, de plaats waar en de persoon door wie het memo aan appellant zou zijn aangeboden. Ook overigens heeft het college de beweringen omtrent de aanbieding van het stuk niet met concrete gegevens onderbouwd. Onder deze omstandigheden kunnen de stellingen van het college omtrent de uitreiking van dit memo niet als feitelijk juist worden aanvaard. Hetzelfde geldt overigens eveneens voor de stelling van appellant dat hij voor het openen van de parkhekken op 11 december 2003 tevoren toestemming had gevraagd en verkregen van zijn leidinggevende N. van Spanje.

4.2. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het plichtsverzuim niet is komen vast te staan. Het college was derhalve niet bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. Het bestreden besluit dient dus op dit onderdeel te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij dit onderdeel in stand is gelaten.

5. De overplaatsing

5.1. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat hij is aangesteld in twee onderscheiden functies, zowel in die van [naam functie] als in die van toezichthouder/beheerder van het [naam park]. Gelet op het feit dat een formeel aanstellingsbesluit als park-beheerder ontbreekt en dat appellant voor zijn werkzaamheden met betrekking tot het parkbeheer geen aparte bezoldiging maar slechts een toelage genoot, is veeleer sprake van een aan appellant extra toebedeelde taak, die gerelateerd was aan zijn functie binnen de groenonderhoudsploeg [naam wijk 1] en als bewoner van de in het park gelegen gemeentelijke tuinmanswoning.

5.2. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellants taak met betrekking tot het parkbeheer van de aanvang af was bedoeld als een signalerende en dienstverlenende. De invulling die appellant daaraan - in de loop der tijd steeds meer - heeft gegeven is die van toezichthouder, terwijl aan de kant van de leiding er juist steeds meer voor is gekozen de functies van beheer en onderhoud enerzijds en die van het toezicht op de naleving van voor het park geldende voorschriften anderzijds te scheiden. Tekenend hiervoor is de discussie die zich in dit kader heeft voltrokken omtrent de door appellant gewenste toekenning van bijzondere opsporingsbevoegdheid. Bij de uitkomst van die discussie heeft appellant, nadat hem in juli 2003 schriftelijk door de burgemeester was meegedeeld dat die bevoegdheid definitief niet aan hem zou worden verleend en het toezicht in het park berustte bij de afdeling Stadstoezicht, zich niet kunnen neerleggen. Vervolgens heeft appellant in diverse gremia, ook naar buiten toe, volhard in zijn visie omtrent de door hem in het park uit te oefenen taak en is hij zich blijven verzetten tegen de door de leiding voorgestane visie op de taakstelling van de parkbeheerder en de daaromtrent genomen besluiten. De Raad is van oordeel dat de escalatie die hierdoor is opgetreden voor het college voldoende grond kon vormen om appellant niet alleen eerst van zijn taak als parkbeheerder te ontheffen, doch hem vervolgens ook in het belang van de dienst over te plaatsen naar de functie van [naam functie] in de wijk [naam wijk 2]. De Raad acht niet zonder betekenis dat de opdracht aan appellant in 2001 om als parkbeheerder op te treden een experiment betrof. Gelet op de ontstane problemen mocht het college in redelijkheid besluiten dit experiment te beëindigen. Met betrekking tot de plaatsing in een andere betrekking is de Raad van oordeel dat de verwachting van het college dat er, indien appellant als [naam functie] onderhoudsploeg [naam wijk 1] dagelijks bemoeienis zou blijven houden met het park, vanwege zijn grote betrokkenheid bij het park met regelmaat weer discussies en problemen waren te verwachten, gelet op appellants opstelling tot op dat moment niet irreëel was. Het college heeft derhalve op goede gronden in het belang van de dienst appellant kunnen verplichten een andere betrekking te aanvaarden. Niet gesteld of gebleken is dat aan appellant de betrekking van [naam functie] onderhoudsploeg [naam wijk 2], een gelijke functie in een andere wijk, in dat geval redelijkerwijs niet zou kunnen worden opgedragen.

5.3. De handhaving van het besluit tot overplaatsing houdt dus stand en de aangevallen uitspraak dient op dit onderdeel te worden bevestigd.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep ter zake van de aan appellant opgelegde berisping ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit op dit onderdeel;

Draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar ter zake van de berisping te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de gemeente Dordrecht;

Bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) A.J. Rentmeester.