Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
06-249 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbouw van de toelage in het nieuwe salaris. Verzoek om terug te komen van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/249 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2005, 04/5889 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Namens de korpsbeheerder is verschenen mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio [regio]. Appellant is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 16 december 1999 aangesteld als medewerker basispolitiezorg. Aan die functie is de rang van agent verbonden met een bezoldiging in schaal 6. Sedert 1 januari 2000 voert de korpsbeheerder het beleid dat een daartoe geschikt en bekwaam geachte medewerker basispolitiezorg, zodra hij twee jaar als zodanig heeft gewerkt, bij wijze van proef voor één jaar wordt geplaatst in de functie van generalist. Aan die functie is de rang van hoofdagent met bezoldiging in schaal 7 verbonden. De medewerker die voor een jaar op proef als generalist werkzaam is, ontvangt gedurende dat jaar een toelage ter hoogte van het verschil tussen zijn salaris in schaal 6 en het salaris in schaal 7 dat hij zou hebben ontvangen als hij bij de ingang van de proefplaatsing zou zijn ingedeeld in schaal 7. De medewerker die in dat proefjaar ervan blijk geeft dat hij bekwaam en geschikt is de functie van generalist te vervullen, wordt, mits hij inmiddels in het bezit is van het certificaat generalist, direct na afloop van dat jaar (definitief) geplaatst in de functie van generalist en ingedeeld in schaal 7. In dat geval vindt die inschaling plaats op het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatst geldende salaris vermeerderd met de toelage.

1.2. Overeenkomstig het hier beschreven beleid is appellant, die op dat moment werd bezoldigd naar schaal 6, salarisnummer 3, bij besluit van 12 februari 2002 met ingang van 16 december 2001 bij wijze van proef voor een jaar geplaatst als generalist en is hem over de periode 16 december 2001 tot 16 december 2002 een persoonlijke toelage toegekend. Deze toelage is tot 1 december 2002 vastgesteld op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 3, en schaal 7, salarisnummer 3, en - in verband met het passeren van een periodiekdatum - vanaf 1 december 2002 tot 16 december 2002, op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 4, en schaal 7, salarisnummer 4.

1.3. Op 28 januari 2003 heeft appellant het generalistencertificaat behaald. In verband daarmee is hij bij besluit van 10 februari 2003 met ingang van 28 januari 2003 aangesteld in de functie van generalist en bevorderd naar schaal 7. Appellant is daarbij, uitgaande van salariëring volgens schaal 6, salarisnummer 4, overeenkomstig artikel 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ingeschaald in het naast hogere bedrag in schaal 7, zijnde salarisnummer 3.

De korpsbeheerder heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij zijn besluit van 15 september 2003.

1.4. Het laatstgenoemde besluit is rechtens onaantastbaar geworden, aangezien appellant daartegen geen beroep heeft ingesteld. Bij brief van 28 juni 2004 heeft hij de korpsbeheerder verzocht van dit besluit terug te komen. De korpsbeheerder heeft dit verzoek bij zijn besluit van 2 augustus 2004 afgewezen en dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 november 2004.

2. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen is aangevoerd in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 januari 2004, LJN AO2034 en TAR 2004, 47, betreft een besluit over de inschaling een duuraanspraak. In gevallen waarin een dergelijke aanspraak in het geding is, dient, zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43, bij de toetsing door de bestuursrechter een onderscheid te worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandig-heden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Niet in geschil is dat hier geen sprake is van dergelijke feiten of omstandigheden. Het verzoek van appellant zag dan ook slechts op de toekomstige periode te rekenen vanaf de datum van zijn verzoek, 28 juni 2004. Wat betreft deze periode moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Het zal in beginsel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenaf-weging verenigbaar zijn dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

3.2. De korpsbeheerder heeft appellant bij zijn bevordering per 28 januari 2003 overeenkomstig de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp, in salarisschaal 7 ingeschaald in het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatstgenoten - tussen 16 december 2002 en 28 januari 2003 - salaris in schaal 6, zonder rekening te houden met de tot 16 december 2002 genoten toelage.

Appellant acht dit laatste onjuist en meent alsnog aanspraak te maken op inbouw van de toelage in zijn nieuwe salaris.

3.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de in het beleid geformuleerde voorwaarden om voor inbouw van de toelage in zijn salaris in aanmerking te komen. Niet in geschil is immers dat appellant het certificaat generalist niet binnen de daarvoor gestelde termijn van een jaar heeft behaald.

3.4. De stelling van appellant dat hem, nadat hij in augustus 2002 was gewaarschuwd, nog een vol jaar had moeten worden gegund om in de workshops te participeren en het certificaat te behalen, treft geen doel. In de publicatie van de Nieuwsbrief arbeidsvoorwaarden van juni/juli 2000 is een onmiskenbare koppeling gelegd tussen het gedurende een jaar vervullen van de werkzaamheden als generalist, het aan het einde van die periode beschikken over het certificaat generalist en het alsdan in aanmerking komen voor bevordering en inbouw van de toelage. Appellant heeft hieruit redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat inbouw van de toelage slechts zou plaatsvinden indien hij ten tijde van de bevordering nog in het bezit zou zijn van de toelage en dus, nu de toelage slechts voor een jaar was verleend, indien hij het certificaat binnen een jaar na de proefplaatsing zou behalen (CRvB 14 december 2006, LJN AZ5270).

3.5. Met betrekking tot het argument van appellant dat hij door toedoen van de korpsbeheerder niet in de gelegenheid is geweest om tijdig het certificaat te behalen overweegt de Raad als volgt. Blijkens de gedingstukken is het praktijk dat wie verschijnt, ook al is hij niet ingeschreven, aan de voorbereidende workshops en de toetsen kan deelnemen. Deelname aan de workshops is bovendien geen voorwaarde voor toelating tot de toetsen. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de opleiding voor het certificaat het karakter heeft van een opfriscursus waarbij zelfstudie voorop staat. Na zijn proefplaatsing had appellant reeds begin 2002 zonder gunstig resultaat een toets afgelegd en na de waarschuwing heeft hij nog in september en in november 2002 gelegenheid gehad workshops te volgen en een toets af te leggen. Dat appellant zonder workshops te volgen - met onvoldoende resultaat - aan de toets in november 2002 heeft deelgenomen, is een keuze die voor zijn rekening komt.

3.6. Appellant heeft overigens geen (bijzondere) feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de korpsbeheerder ten gunste van appellant van het beleid had moeten afwijken.

3.7. Uit het vorenstaande volgt dat de korpsbeheerder appellant op goede gronden conform de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp heeft ingeschaald.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) A.J. Rentmeester.