Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5906

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
05-6480 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwenden van de middelen die ten behoeve van de dienstuitoefening ter beschikking staan voor nevenwerkzaamheden. Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6480 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2005, 04/4386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. R.H.A. Wessel, advocaat te Den Haag. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio [regio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1994 bij de politieregio werkzaam. Laatstelijk werkte hij parttime als specialist bij de dienst Vreemdelingenpolitie. Daarnaast verrichtte hij met toestemming van de korpsbeheerder nevenwerkzaamheden als eigenaar van een reisbureau. In die hoedanigheid kreeg appellant een geschil met een reisleider over een per vergissing onverschuldigd aan deze werknemer betaald bedrag. Bij zijn pogingen om terugbetaling van dit bedrag te krijgen heeft appellant zich gedragen op een wijze die volgens de korpsbeheerder ernstig plichtsverzuim opleverde.

Aan appellant wordt - kort samengevat - verweten dat hij, onder vermelding van zijn hoedanigheid van politieambtenaar, de Koninklijke Marechaussee (KMAR) te Schiphol heeft verzocht hem bij te staan bij zijn confrontatie met voornoemde werknemer na diens verwachte aankomst op Schiphol. Vervolgens heeft appellant in zijn hoedanigheid van politieambtenaar en onder het voorwendsel dat het om een strafrechtelijk onderzoek naar een vals paspoort ging, bij de gemeente Schiedam een kopie opgevraagd en verkregen van het paspoort van die werknemer. Voorts heeft appellant zich als politieambtenaar voorgesteld en om een leidinggevende gevraagd toen hij op het politiebureau te Schiedam aangifte wilde doen jegens de werknemer. Zodoende ontstond in eerste instantie de indruk dat het om een dienstverzoek ging, dat met voorrang in behandeling diende te worden genomen.

1.2. De korpsbeheerder heeft in het vorenstaande aanleiding gezien appellant bij besluiten van 2 mei 2003 (besluit 1) en

11 juli 2003 (besluit 2) buiten functie te stellen, respectie-velijk te schorsen en bij besluit van 24 november 2003 (besluit 3) onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij het bestreden besluit van

10 augustus 2004 door de korpsbeheerder ongegrond verklaard, onder toevoeging van de subsidiaire ontslaggrond “ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken”.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Wat betreft de besluiten 1 en 2 is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder voor het treffen van deze ordemaatregelen voldoende grond kon vinden in de hem bekend geworden verdenking van ernstig plichtsverzuim door appellant, waardoor aan diens integriteit kon worden getwijfeld. De grief van appellant tegen de handhaving van de besluiten 1 en 2 treft derhalve geen doel.

3.2. De grief van appellant dat het feitencomplex door de korpsbeheerder niet goed is vastgesteld kan de Raad in zoverre volgen, dat ook naar zijn oordeel bij het ingestelde onderzoek ten onrechte is nagelaten de betrokken medewerkers van de KMAR op Schiphol te horen. Daardoor is de inhoud van het tussen appellant en deze medewerkers besprokene en het optreden van appellant daarbij onvoldoende vast komen te staan. In het bijzonder staat niet vast op welk moment en op welke wijze appellant zich heeft bekendgemaakt als politieagent en wat de strekking was van zijn verzoek om hulp. Op dit onderdeel staat het plichtsverzuim dus niet vast.

3.3. De overige elementen van het aan appellant verweten plichtsverzuim acht de Raad voldoende deugdelijk vastgesteld. Appellant heeft zelf erkend dat hij zich laakbaar heeft gedragen bij het opvragen van de kopie van het paspoort van de werknemer. Wat de gedragingen van appellant op het politiebureau van Schiedam betreft acht de Raad op grond van de overeenstemmende verklaringen daaromtrent van de betrokken politie-functionarissen G en H voldoende aannemelijk dat appellant zich daar heeft gepresenteerd als politieambtenaar en het aanvankelijk heeft doen voorkomen alsof hij in die hoedanig-heid handelde. Voorts leidt de Raad uit genoemde verklaringen af, dat appellant aanvankelijk om medewerking bij een aanhouding verzocht, en pas later aangaf dat hij aangifte wilde doen van een jegens hem door een medewerker gepleegd strafbaar feit.

3.4. Aan het gegeven dat de Nationale ombudsman heeft geoordeeld dat de betrokken collega’s uit Schiedam op niet behoorlijke wijze hebben gereageerd op het verzoek van appellant om zijn aangifte op te nemen kan de Raad niet de betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien. Het oordeel van de Nationale ombudsman houdt

- voorzover hier van belang - slechts in dat de bij bedoelde collega’s gewekte indruk van belangenverstrengeling en hun twijfel of wel gesproken kan worden van een strafbaar feit hen er niet van had mogen weerhouden te voldoen aan hun wettelijke plicht de aangifte op te nemen. Noch het desbetreffende rapport van de Nationale ombudsman, noch de verklaring van appellant dat het niet boterde tussen hem en zijn Schiedamse collega’s, geven de Raad aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van hetgeen deze collega’s over appellant hebben verklaard.

3.5. De Raad gaat voorbij aan de door appellant eerst in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat de korpsbeheerder niet heeft onderzocht of de incidenten zijn te herleiden tot een mogelijke medische ongeschiktheid voor de functie. Nu voor zodanige ongeschiktheid in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden is, lag het op de weg van appellant deze stelling te onderbouwen. Appellant heeft zulks achterwege gelaten.

Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het plichtsverzuim niet ten volle aan appellant kan worden toegerekend.

3.6. De korpsbeheerder was derhalve bevoegd appellant disciplinair te straffen.

4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. De korpsbeheerder heeft daarbij mogen laten meewegen dat appellant er naar aanleiding van eerdere incidenten in juli 2000 schriftelijk op was gewezen dat de middelen die hem ten behoeve van de dienstuitoefening ter beschikking staan op geen enkele wijze voor zijn nevenwerkzaam-heden mogen worden aangewend. Dat aan appellant voor deze eerdere incidenten destijds geen sanctie is opgelegd doet aan de ernst van deze waarschuwing niet af.

Ondanks deze waarschuwing heeft appellant wederom voor privédoeleinden gebruik gemaakt van de middelen die hem als politiefunctionaris ter beschikking staan en heeft hij er wederom blijk van gegeven zijn hoedanigheid van politieambtenaar niet te kunnen scheiden van die van touroperator. De korpsbeheerder heeft hieruit niet ten onrechte geconcludeerd dat het in hem als politieambtenaar te stellen vertrouwen onherstelbaar beschadigd is.

De duur van het dienstverband van appellant ziet de Raad niet als een omstandigheid die tot een lagere straf aanleiding had moeten geven.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) A.J. Rentmeester.