Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3815 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bevorderingsdatum juist? Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3815 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2005, 04/1902 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door F.C. van Veen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is van 1 maart 1993 tot 17 november 1997 aangesteld geweest bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd. Vanaf 1 december 1993 was appellant werkzaam als effectief sergeant. Op 17 november 1997 is appellant een opleiding aangevangen tot onderofficier, bestemd voor het dienstvak van de geneeskundige dienst, op de Koninklijke Militaire School (KMS), naar aanleiding waarvan hem de rang van effectief soldaat 1, tijdelijk sergeant, is toegekend. Appellant heeft deze opleiding om gezondheidsredenen moeten onderbreken in 1998. Hij heeft, nadat hij in 2000 weer dienstgeschikt was verklaard, de opleiding niet hervat.

Bij besluit van 6 juni 2000 is het verzoek van appellant om herstel in de rang van effectief sergeant en bevordering naar sergeant 1 per 17 juli 2000 afgewezen, omdat dit slechts mogelijk is als de opleiding succesvol is afgerond. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd en appellant heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. Appellant is in 2001 aangevangen met een omscholingscursus tot militair administrateur, ter gelegenheid waarvan hij tijdelijk tot sergeant is bevorderd.

1.2. Bij besluit van 13 mei 2003 is appellant bevorderd tot sergeant 1 met ingang van 24 februari 2003, zijnde de datum waarop hij de omscholingsopleiding tot militair administrateur heeft afgerond. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2004.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Appellant is van opvatting dat zijn bevorderingsdatum tot sergeant 1 moet liggen op 17 november 1998, zijnde één jaar na plaatsing op de KMS. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat in zijn geval sprake is van een zeer bijzondere situatie, zodat verdergaande afwijking van de geldende beleidsregels voor bevordering aangewezen is. Appellant heeft (opnieuw) naar voren gebracht dat in de besluitvorming sprake is van feitelijke onjuistheden.

3.2. De commandant is van opvatting dat reeds in gunstige zin is afgeweken van het geldende beleid en dat daarmee voldoende recht is gedaan aan de situatie van appellant.

4.1. In de omstandigheid dat het bestreden besluit vol staat met feitelijke onjuistheden die mede betrekking hebben op appellants rechtspositie, gevoegd bij een slordig opgebouwd en onvolledig dossier, ziet de Raad aanleiding het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te achten en dat besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, te vernietigen. Hij acht de erkenning door de commandant van de fouten en een (gedeeltelijk) herstel daarvan in diens verweerschrift bij de rechtbank onvoldoende om die onjuistheden zonder meer toe te dekken. Wel acht de Raad het aangewezen te bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

4.2. Vast staat dat de commandant, door appellant tot sergeant 1 te bevorderen per 24 februari 2003, in gunstige zin is afgeweken van het bepaalde in de destijds geldende Beleidsregel functietoewijzing en bevordering militairen Koninklijke landmacht. Op grond van deze beleidsregel zou appellant, met inachtneming van de maximale ervaringskorting van 3 jaar - vanwege het feit dat hij eerder effectief sergeant is geweest - niet na de voorgeschreven 4 jaar, maar hoogstens 1 jaar na afronding van zijn opleiding bevorderd kunnen worden tot sergeant 1. Gelijk de rechtbank heeft overwogen, betreft het hier een discretionaire bevoegdheid van de commandant, waarbij een terughoudende toetsing door de rechter past.

4.3. De Raad is van oordeel dat de commandant terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een bijzonder geval waarbij afwijking van de geldende beleidsregel aangewezen is. Appellant heeft zijn eerste opleiding niet kunnen voltooien als gevolg van gezondheidsproblemen, die opleiding is nadien komen te vervallen en vervangen door een veel langer durende opleiding en tot slot is appellant ontslagen in 2001 welk ontslag is herroepen. In het licht van de hiervoor genoemde terughoudende toetsing is appellant er evenwel niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat de commandant door appellant (slechts) één jaar eerder te bevorderen niet in redelijkheid van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.4. De Raad zal dan ook bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 maart 2004 in stand blijven.

5. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de commandant te veroordelen in de proceskosten van appellant, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep begroot op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand, in totaal dus € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.