Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3926 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling van rechtswege omgezet in dienstverband voor onbepaalde tijd? Maximale aanstellingsduur? Maximaal aantal verlengingen? Conversiebepaling CAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3926 AW

Centrale Raad van Beroep Q.

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2005, 04/1231 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.G.P. Peters en door G.J.W. Aben, beiden werkzaam bij de Universiteit Maastricht (UM).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 24 oktober 1994 heeft appellante met de UM een zogenoemde voorovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden als enquêtrice op oproepbasis.

1.2. Bij besluit van 23 juli 2002 is appellante op grond van het destijds geldende artikel 3.7, eerste lid, onder b, van de CAO Nederlandse Universiteiten (NU) in tijdelijke dienst aangesteld voor bepaalde tijd van 22 juli 2002 tot 1 februari 2004, als onderzoeks-assistente ten behoeve van het project [naam project], een door de Nederlandse Hartstichting gefinancierd tijdelijk project dat bij de UM was ondergebracht.

1.3. Bij besluit van 27 november 2003 heeft het college appellante meegedeeld dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 12.4, vierde lid, van de CAO NU de tijdelijke aanstelling per 1 februari 2004 van rechtswege eindigt en niet zal worden voortgezet.

1.4. Bij bestreden besluit van 30 juli 2004 is het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg naar voren gebracht dat ten aanzien van de door haar vanaf 1994 voor de UM verrichte werkzaamheden als enquêtrice - vanaf januari 1999 wekelijks - en de aansluitend daarop gevolgde aanstelling als onderzoeksassistente in tijdelijke dienst tot 1 februari 2004, gesproken moet worden van een doorlopende aanstelling. Nu de maximale duur van 4 jaar, waarvoor op grond van de CAO NU een tijdelijke aanstelling kan worden verleend, is verstreken, is naar de mening van appellante, gelet op het bepaalde in artikel 3.8, in samenhang met de conversiebepaling van art. 3.9, lid 3, van de CAO NU, per 1 februari 2004 een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstaan.

3.2. Het college heeft zich in zijn verweerschrift aangesloten bij de overwegingen en conclusies van de rechtbank.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De door appellante gesloten, onder 1.1. vermelde voorovereenkomst is niet een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht waarvan sprake was in het Rechtspositie-reglement Wetenschappelijk Onderwijs, welk reglement van kracht was ten tijde van het sluiten van de voorovereenkomst. Het gaat immers slechts om een vorm van een oproepcontract waarbij appellante zich beschikbaar stelt om na een oproep (tijdelijk) werkzaamheden te verrichten. Ook de omstandigheid dat appellante regelmatig na een oproep werkzaamheden heeft verricht als enquêtrice, maakt dat niet anders.

4.2. Indien met partijen wordt aangenomen dat na de inwerkingtreding van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (hierna: RWOO) sprake is geworden van een tijdelijke aanstelling op grond van dat reglement, doet dat niet af aan het karakter van die aanstelling. Het bleef gaan om het verrichten van werkzaam-heden als oproepkracht. Dat is ook niet veranderd toen in plaats van het RWOO de CAO NU van kracht was geworden.

4.3. Het converteren van een tijdelijk dienstverband in een dienstverband voor onbepaalde tijd is eerst geregeld in de met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden CAO NU. Tot die datum is dus geen sprake geworden van een aanstelling voor onbepaalde tijd (om werkzaamheden als oproepkracht te verrichten).

4.4. Voor het bepalen van de termijn die verstreken moet zijn om een tijdelijk dienst-verband te converteren in een dienstverband voor onbepaalde tijd, wordt, vanaf 1 januari 1999, in de CAO NU uitdrukkelijk uitgezonderd de tijd waarin werkzaamheden als oproepkracht worden verricht. Voor een conversie van het tijdelijke dienstverband als onderzoeksassistente is de tijd waarin appellante heeft gewerkt als oproepkracht dus niet relevant.

4.5. Nu voor het vaststellen van de voor een conversie vereiste termijn uitsluitend de onder 1.2. vermelde aanstelling als onderzoeksassistente van belang is, moet worden geconstateerd dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat noch de maximale aanstellingsduur noch het maximaal aantal verlengingen is overschreden, zodat (ook) uit dien hoofde geen aanspraak bestaat op een aanstelling voor onbepaalde tijd.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.