Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-1046 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling formatieplaatsbeschrijving. Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1046 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2005, 04/5481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van [district] (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. de Weerdt, advocaat te Leiden, en A. Guijt en J.D. Heijnis, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap van [district] (hierna: hoogheemraadschap).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Ten tijde in geding was appellant reeds vele jaren werkzaam bij het hoogheemraad-schap. Met toepassing van de regeling organieke functieclassificatie [district] (hierna: ORFU) is een zogenoemde formatieplaatsbeschrijving betreffende de door appellant vervulde functie vastgesteld en is de aldus beschreven functie van technisch adviseur gewaardeerd en ingedeeld in hoofdgroep III van de ORFU.

1.2. De door appellant daartegen gemaakte bezwaren zijn bij het bestreden besluit van

11 november 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft dat beroep beperkt gezien tot de uitkomst van de functiewaardering. Haars inziens heeft het college terecht uitsluitend beslist op het bezwaar van appellant tegen de waardering van zijn functie. De rechtbank heeft de indeling in hoofdgroep III niet onhoudbaar geacht.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de formatieplaatsbeschrij-ving geen recht doet aan al hetgeen hij vanaf 1990 aan werkzaamheden en activiteiten bij en ten behoeve van het hoogheemraadschap heeft verricht.

3.2. Verder is appellant van opvatting dat, zelfs indien wel tot uitgangspunt wordt genomen de in geding zijnde formatieplaatsbeschrijving - met inbegrip van de door hem daarbij gemaakte aantekeningen -, zijn functie behoort te worden ingedeeld in hoofdgroep IV. Zijns inziens is sprake van werkzaamheden in de sfeer van beleid en duiden ook zijn publicaties en spreekbeurten op werkzaamheden van een werk- en denkniveau als omschreven bij hoofdgroep IV. Hij heeft in het bijzonder gewezen op zijn activiteiten op het gebied van bio-smeermiddelen.

4.1. Het college handhaaft zijn, door de rechtbank gedeelde, standpunt dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de formatieplaatsbeschrijving. Voor het geval daarover anders wordt geoordeeld, blijft het college van mening dat de beschrijving goed weergeeft aan welke functie de organisatie behoefte heeft, waarbij niet van belang is dat de betrokken functionaris werkzaamheden verricht of kwaliteiten heeft die verder reiken dan noodzakelijk is voor de functie.

4.2. Verder is het college van opvatting dat de functie van technisch adviseur, zoals ook blijkt uit het bijvoeglijk naamwoord “technisch” in de functiebenaming, niet het oog heeft op de vervulling van scheppende arbeid in direct samenspel met op wetenschappelijk niveau werkzame functionarissen en niet werkzaamheden betreft waarbij wordt deelgenomen aan de beleidsvoorbereiding voor het college, als bedoeld in de omschrijving van hoofdgroep IV van de ORFU. Ook de door appellant in het bijzonder genoemde werkzaamheden en activiteiten liggen in de sfeer van uitvoering, respectievelijk van het uitdragen van praktische kennis en ervaring en niet in de sfeer van wetenschap(stoe-passing).

5. De Raad overweegt naar aanleiding van deze standpunten van partijen als volgt.

5.1. De formatieplaatsbeschrijving.

5.1.1. De Raad kan de rechtbank en het college niet volgen in hun standpunt dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de formatieplaatsbeschrijving. Weliswaar vangt het bezwaarschrift van appellant aan met de mededeling dat hij bezwaar maakt tegen de vastgestelde waardering van de werkzaamheden, maar verderop blijkt onder het kopje “Algemene beschrijving” met zoveel woorden van kritiek op de beschrijving van die werkzaamheden.

5.1.2. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen dan ook niet in stand blijven voor zover het de formatieplaatsbeschrijving betreft. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil en omdat partijen in de stukken en ter zitting over en weer standpunten hebben ingenomen over de formatieplaatsbeschrijving, zal de Raad een inhoudelijk oordeel geven over de vastgestelde formatieplaatsbeschrijving.

5.1.3. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de beschrijving van een zogenoemde organieke functie. Anders dan bij een zogenoemde mens-functiebeschrijving gaat het hier niet om de beschrijving van de feitelijk (in het verleden) door appellant verrichte werkzaamheden. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8) kan de rechter de beschrijving van een organieke functie slechts terughoudend toetsen.

5.1.4. In hetgeen door appellant naar voren is gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden de beschrijving onhoudbaar te achten. Zeker nu de aantekeningen van appellant deel zijn gaan uitmaken van die beschrijving, is voldoende tot uitdrukking gebracht welke werkzaamheden van de betrokken functievervuller worden verwacht gegeven de inrich-ting van de organisatie zoals die het college voor ogen staat. Die beschrijving biedt een adequate basis om tot de in artikel 5 van de ORFU bedoelde analyse en gradering te komen, resulterend in het functiewaarderingsbesluit.

5.1.5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het bezwaar van appellant tegen de fomatieplaatsbeschrijving geen doel treft. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zal de Raad zelf dat bezwaar dan ook ongegrond verklaren.

5.2. De functiewaardering.

5.2.1. In zijn onder 5.1.3. vermelde uitspraak heeft de Raad ook zijn vaste rechtspraak verwoord betreffende de (eveneens) terughoudende toetsing van de inhoud van een functiewaardering. De rechter zal pas tot vernietiging van een bestreden waardering overgaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt.

5.2.2. De Raad deelt de zienswijze van het college, zoals die onder 4.2. beknopt is weergegeven. De in de formatieplaatsbeschrijving beschreven werkzaamheden die de basis vormen voor de waardering, zijn in het algemeen meer uitvoerend van karakter - zij betreffen onderhoud, beheer en controle - en passen dus bij de omschrijving van hoofdgroep III. Het standpunt van het college dat het voor de vervulling van de functie van technisch adviseur vereiste minimale werk- en denkniveau niet het - voor de werk-zaamheden in hoofdgroep IV vereiste - HBO-niveau is, acht de Raad niet onhoudbaar. Van de kant van het college is ter zitting overtuigend toegelicht dat ook de door appellant in het bijzonder genoemde werkzaamheden niet nopen tot een indeling van de functie in hoofdgroep IV van de ORFU.

5.2.3. De Raad komt daarom tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover het beroep tegen de gehandhaafde functiewaardering ongegrond is verklaard.

6. Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting nog naar voren heeft gebracht over in het verleden en in de afgelopen jaren door het college al dan niet genomen beslissingen met betrekking tot salarisverhogingen, gaat buiten de omvang van het geding. Tot slot merkt de Raad op dat een besluit betreffende de waardering van een functie niets zegt over de wijze waarop iemand zijn werkzaamheden heeft verricht en evenmin tot doel heeft waardering (respect) tot uitdrukking te brengen voor inspanningen als bijvoorbeeld door appellant verricht in de vorm van het behalen van diverse diploma’s.

7. Ten slotte ziet de Raad in het vorenstaande aanleiding het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en van € 18,52 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en van € 9,- aan reiskosten, in totaal € 993,52.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het besluit tot vaststelling van de formatieplaatsbeschrijving;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen het besluit tot vaststelling van de formatieplaatsbeschrijving en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit tot vaststelling van de formatieplaatsbeschrijving ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 993,52, te betalen door het Hoogheemraadschap van [district];

Bepaalt dat het Hoogheemraadschap van [district] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep bet

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.