Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
04-7240 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verhoging WAO-uitkering in kader van 5de jaars herbeoordeling. Deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7240 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2004, 03/3795 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007, waar partijen met bericht van verhindering niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Wijlen [betrokkene], laatstelijk werkzaam als medewerker bedrijfsbureau, ontving sinds 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

In het kader van de vijfdejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts S. Spoorendonk op 6 januari 2003 [betrokkene] onderzocht en in haar rapportage aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met een afgenomen lichamelijke en psychische belastbaarheid ten aanzien van het verrichten van arbeid. Op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarin de verzekeringsarts de op dat moment voor

[betrokkene] van kracht zijnde medische beperkingen heeft weergegeven, zijn vervolgens door de arbeidsdeskundige A. Huygen functies geduid en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 55,95%. Bij besluit van 28 april 2003 is [betrokkene] meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 55 tot 65% is gebleven.

Nadat door [betrokkene] tegen het besluit van 28 april 2003 bezwaar was gemaakt, heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan op basis van dossieronderzoek, waaronder de informatie van de reumatoloog dr. P.A.H.M. v.d. Lubbe, en de informatie verkregen uit de hoorzitting geen aanleiding gevonden [betrokkene] zwaarder beperkt te achten dan de primaire verzekeringsarts had gedaan. Bij besluit van 21 november 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is namens [betrokkene] aangevoerd dat er sprake was van een toename van klachten en beperkingen op en na de datum in geding, dit ten gevolge van diverse aandoeningen en ziekten van medisch objectiveerbare aard, waardoor [betrokkene] zodanige beperkingen in zijn lichamelijke en psychische belastbaarheid ondervond dat hij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden tot arbeid beschikte. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de gemachtigde een rapportage overgelegd van zenuwarts

dr. H.L.S.M. Busard en is tevens verzocht om inschakeling van een deskundige. Het Uwv heeft de bezwaarverzekeringsarts Kleinjan op deze rapportage laten reageren. Ter zitting is door appellanten gewezen op de vermoeidheidsklachten, alsook de tumor in de alvleesklier, waaraan hun vader op 9 mei 2004 is overleden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit zijn de beroepsgronden als volgt verworpen:

“De verzekeringsarts heeft zijn conclusies gebaseerd op dossierstudie en eigen onderzoek, en heeft een FML opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen redenen om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts. Hij heeft overwogen dat de verzekeringsarts zorgvuldig te werk is gegaan door haar conclusie te baseren op anamnese, eigen medisch onderzoek en de reeds beschikbare (specialistische) informatie. Het is de bezwaarverzekeringsarts niet gebleken dat de verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van [betrokkene] en van de daaruit voor het verrichten van arbeid voortvloeiende medische beperkingen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts blijkt dat zij wel degelijk op de hoogte was van de onderliggende aandoening fibromyalgie en heeft zij deze kennis meegewogen in haar beoordeling. De resultaten van het onderzoek van zenuwarts Busard komen overeen met het oordeel van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat er geen sprake is van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” waarbij arbeidsongeschiktheid op medische gronden moet worden gesteld. Afzien van arbeidskundig onderzoek is derhalve niet aan de orde en een FML is terecht opgesteld. Het is de bezwaarverzekeringsarts niet gebleken dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML op onjuiste of onvolledige wijze de medische beperkingen van [betrokkene] weerspiegelt. De verzekeringsarts heeft met de beperkingen in de psychische belastbaarheid en met beperkingen ten aanzien van zware of langdurige fysieke belasting rekening gehouden. Er is geen indicatie tot beperking van het arbeidspatroon, naast de reeds aangegeven beperkingen in de psychische en fysieke belasting in de FML. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zoals dat door de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden, voldoende zorgvuldig is geweest. Hetgeen namens [betrokkene] in beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding de juistheid van het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken.”.

In hoger beroep zijn namens appellanten de eerdere grieven herhaald.

De Raad deelt het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen namens appellanten is aangevoerd, waaronder de onderzoeksbevindingen van zenuwarts Busard, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige in te schakelen.

Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad evenwel vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geduide functies passend zijn geacht voor [betrokkene], eerst in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma in antwoord op een brief van de Raad van

6 september 2006. Naar het oordeel van de Raad zijn met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Bootsma de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van [betrokkene] door de belasting van de geduide functies uiteindelijk voldoende en adequaat gemotiveerd en is hiermee op voldoende wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting in het onderhavige geval berust.

De Raad concludeert op basis van het hiervoor overwogene dat, nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 700,-- voor de door de zenuwarts Busard uitgebrachte rapportage, in totaal € 1.344,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellanten tot een bedrag groot € 1.344,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellanten;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellanten het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.