Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-4025 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding kosten volgen dieet in groepsverband. Houdt eetstoornis verband met vervolging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4025 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], Israël (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 mei 2006, kenmerk JZ/I/70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet en heeft op

3 maart 2005 een aanvraag ingediend om vergoeding als bedoeld in artikel 20 van de Wet van de kosten van het volgen van een dieet in groepsverband.

1.2. Bij besluit van verweerster van 7 april 2005 is deze aanvraag afgewezen, op de grond dat de eetstoornis van appellant niet in verband staat met de vervolging maar uit andere oorzaken is ontstaan. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij dit besluit werd het standpunt ingenomen dat de compulsieve eetstoornis van appellant als deel van de uit zijn vervolging voort-vloeiende psychische klachten moet worden aanvaard, maar werd het volgen van een dieet in groepsverband in verband met die klachten niet medisch noodzakelijk geacht. Hierbij is overwogen dat de bijeenkomsten niet plaatsvinden onder leiding van een professionele behandelaar maar onder leiding van iemand die hetzelfde probleem heeft gehad en overwonnen. Nu geen sprake was van directe betrokkenheid van een professionele behandelaar op basis van een individueel behandelplan, kon niet van een medische interventie worden gesproken.

2. Namens appellant is in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat gewichtsverlies en het op peil houden van het gewicht van cruciaal belang is, gezien de bij appellant aanwezige met de vervolging in verband staande hart- en vaatklachten en dat appellant heeft ervaren dat dit het meest effectief kan worden bereikt door het volgen van een dieet in groepsverband bij de “Diet club”, in combinatie met psychotherapie. Verder zijn grieven aangevoerd met betrekking tot de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit.

3. Van de zijde van verweerster is aangevoerd dat deelname aan de “support group” weliswaar een nuttig effect kan hebben, maar dat deze groep het karakter heeft van een lotgenotengroep. Dat de leidster van de groep die appellant bezoekt toevalligerwijze een diëtiste is, maakt dit niet anders, nu die hoedanigheid niet als eis wordt gesteld. Verder acht verweerster van belang dat geen sprake is van individuele begeleiding door een therapeut op basis van een individueel behandelplan, opgesteld door een professionele behandelaar, zoals bijvoorbeeld in een obesitaskliniek gebeurt.

4.1. De Raad acht het niet onaanvaardbaar dat verweerster bij de onderhavige toepassing van artikel 20 van de Wet de hier gehanteerde voorwaarden stelt dat sprake moet zijn van een professionele behandelaar en een individueel behandelplan, als onder 3. is weergegeven. De onderhavige “Diet club” voldoet niet aan deze voorwaarden. Weliswaar dient blijkens de gedingstukken enige training plaats te vinden voordat leiding kan worden gegeven aan een “support group”, maar voorop staat dat de groep bestaat uit lotgenoten en ook wordt geleid door een lotgenoot. Onder die omstandigheden kan de Raad verweerster volgen in het standpunt dat niet doorslaggevend is dat de leidster van de groep van appellant een gediplomeerd diëtiste is.

4.2. Namens appellant zijn naar het oordeel van de Raad terecht vraagtekens geplaatst bij de de wijze waarop de medische onderbouwing van het bestreden besluit tot stand is gekomen. Nadat door de adviserend arts in Israël positief was geadviseerd ten aanzien van verstrekking van deze voorziening, nam de adviserend arts in Nederland aanvankelijk dit standpunt over en concludeerde dat deze medisch noodzakelijk was. Na intern overleg omtrent het te voeren beleid met betrekking tot voorzieningen als de onderhavige, kwam laatstgenoemde arts op dit standpunt terug, waarna aan de adviserend arts in Israël is verzocht haar advies aan te passen. De Raad zal aan deze gang van zaken echter in dit geval geen consequenties verbinden, nu in de gedingstukken volledig inzichtelijk is gemaakt hoe de besluitvorming op grond van beleidsmatige motieven tot stand is gekomen en geen sprake is geweest van manipulatie van medische gegevens.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.