Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-6596 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering betrokkene te benoemen in een functie op een hoger functieniveau, aangezien hij ivm leeftijd niet gedurende de minimaal voorgeschreven periode de functie kan vervullen. Functietoewijzingsproces. Rendementscriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6596 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (Italië), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2005, 04/4860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Bevelhebber der Koninklijke Marechaussee, thans Commandant Koninklijke Marechaussee (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de commandant nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Damen, advocaat te Woerden. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, adjudant-onderofficier bij de Koninklijke marechaussee, vervulde vanaf 1 september 2000 de functie van brigade-adjudant (BA) te [vestigingsgebied] in de Bondsrepubliek Duitsland. In dat jaar is besloten tot reorganisatie door omvorming van de brigade Mönchengladbach tot brigade [vestigingsgebied]. Deze reorganisatie heeft vorm gekregen in een Realisatiememorandum (RM), dat op 24 juni 2003 door de Marechausseeraad is aanvaard. Het RM bevat een voorstel om een nieuwe functie Commandant Algemene Politiedienst (C-APD) te creëren in de rang van eerste luitenant en deze functie met ingang van 1 januari 2003 toe te wijzen aan de huidige BA, opdat deze zijn reeds opgebouwde kennis en ervaring kon gebruiken voor de verdere opbouw van de APD en daarnaast de brigade-commandant in de nieuwe organisatie kon bijstaan. Bij besluit van 19 december 2003 is appellant belast met de waarneming van de genoemde functie gedurende de periode van 1 juli 2003 tot 1 april 2004, waarbij hij erop is gewezen dat geen sprake is van een functietoewijzing en dus ook niet van een bevordering.

1.2. Op 17 november 2003 heeft appellant een rekest ingediend om met ingang van 1 juli 2003 in de genoemde functie geplaatst te worden en met ingang van gelijke datum te worden bevorderd tot de bij de functie behorende rang van eerste luitenant. Bij besluit van 27 januari 2004 heeft de commandant dit verzoek afgewezen op grond van de overweging dat hij, door buiten het formele toewijzingsproces een functie aan appellant toe te wijzen, appellant ten opzichte van anderen in een niet te motiveren uitzonderings-positie zou brengen. Vervolgens heeft appellant door middel van een vacaturereactie- formulier op de functie gesolliciteerd. Deze sollicitatie is in navolging van het advies van de Commissie Advies Functietoewijzing (CAFT) bij besluit van 30 maart 2004 afgewezen op grond van de overweging dat, hoewel appellant beschikbaar en geschikt is voor deze functie, het op operationele gronden niet wenselijk is de functie aan hem toe te wijzen. De tegen beide besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 8 oktober 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het voorstel in het RM om de functie aan de BA toe te wijzen nog geen functietoewijzing inhoudt, omdat dit in strijd zou zijn met artikel 23 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) en het gestelde ten aanzien van het functietoewijzings-proces in de Beleidsregel functietoewijzing en bevordering militairen Koninklijke marechaussee (BFBKMAR). Voorts is overwogen dat appellant niet zou kunnen voldoen aan het rendementscriterium van drie jaar omdat hij de functie in verband met zijn leeftijdsontslag (LOM-datum) slechts zou kunnen vervullen van 1 april 2004 tot 1 maart 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de functie van C-APD hem had moeten worden toegewezen omdat hij aanspraken aan het RM kan ontlenen, nu daarin ondubbelzinnig de passage is opgenomen dat deze functie aan de huidige BA wordt toegewezen. Voorts heeft hij gesteld dat er gebreken kleven aan de functietoewijzing omdat het advies van de CAFT onvoldoende gemotiveerd is, gelet op het feit dat hij de functie formeel reeds waarnam en op het feit dat hij slechts één maand tekort komt om aan de rendementseis van drie jaar te kunnen voldoen. Indien de reorganisatie volgens plan was uitgevoerd, zou de vullingsdatum van de functie ook veel eerder hebben gelegen. Tevens is volgens appellant ten onrechte geen rekening gehouden met zijn zogeheten MD-status, waardoor het beschikbaarheidscriterium met een jaar wordt teruggebracht en waardoor het mogelijk wordt reeds na twee jaar functievervulling door te solliciteren.

3.2. Mede onder verwijzing naar hetgeen hij in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd, heeft de commandant een gemotiveerd verweerschrift ingediend.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat hij aan het RM rechtstreeks de aanspraak op toewijzing van de functie van C-APD kon ontlenen, is de Raad met de commandant van oordeel dat het RM geen concrete tot appellant gerichte toezegging bevat, maar een organisatorisch wenselijk geachte overgangsmaatregel. Er is in het RM, gelet op de aard van dat stuk, geen sprake van een functietoewijzing als bedoeld in artikel 23 van het AMAR en ook een aanspraak op zulk een toewijzing kan er niet aan worden ontleend.

4.2. Ten tijde van de vullingsdatum 1 april 2004 was op de functietoewijzing de BFBKMAR van toepassing. In artikel 5 van deze beleidsregel is bepaald dat, onverminderd het bepaalde in artikel 23, onder c, van het AMAR, uit rendements-overwegingen de militair alleen een functie kan worden toegewezen op een hoger functieniveau indien hij deze functie in beginsel drie jaar kan vervullen. Artikel 11 bepaalt dat, indien aan de toe te wijzen functie een hogere rang verbonden is, de militair een zodanige leeftijd moet bezitten dat hij in de naasthogere rang de functie kan vervullen gedurende minimaal de voorgeschreven periode.

Vaststaat dat appellant, uitgaande van de vullingsdatum 1 april 2004 en de reguliere datum van zijn leeftijdsontslag per 1 maart 2007, deze functie niet gedurende drie jaar zou kunnen vervullen. Zoals door de commandant ter zitting is toegelicht wordt het rendementscriterium van drie jaar, in geval van een functietoewijzing waaraan tevens een hogere rang is verbonden, strikt toegepast. De Raad acht de uitleg en de toepassing van dit rendementscriterium niet onredelijk en ziet in de door appellant genoemde omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat daaraan in dit geval niet had mogen worden vastgehouden. Dat appellants LOM-datum naderhand - met het oog op een andere door hem vervulde functie - in de tijd is opgeschoven, kan evenmin tot dat oordeel leiden.

4.3. Met betrekking tot de grief van appellant ten aanzien van de vullingsdatum 1 april 2004 stelt de Raad vast dat de functie van C-APD, tezamen met een aantal andere vacatures, bekendgemaakt is door middel van een vacaturebrief van december 2003. Niet gebleken is dat de commandant ten aanzien van deze functie een andere gedragslijn met betrekking tot de vaststelling van de vullingsdatum heeft gevolgd dan ten aanzien van andere vacante functies. Dat daarbij misbruik is gemaakt van zijn bevoegdheid omdat niet is gekozen voor de vullingsdatum 1 maart 2004 in verband met de positie van appellant of dat de datum 1 april 2004 in strijd is met het RM, is de Raad niet gebleken. Mitsdien kan ook deze grief van appellant niet slagen.

4.4. Evenmin kan het beroep van appellant op zijn MD-status slagen, nu dit beleid voor onderofficieren reeds sinds oktober 2002 was bevroren en met ingang van januari 2004 is komen te vervallen. Bovendien heeft de bekorting van de driejaarstermijn voor MD-kandidaten uitsluitend betrekking op het zogenoemde beschikbaarheidscriterium, hetgeen betekent dat zij na twee in plaats van drie jaar kunnen solliciteren naar een nieuwe functie. Hieruit kan volgens de Raad niet worden afgeleid dat de MD-status aanspraak geeft op het hanteren van een kortere termijn voor de vervulling van de functie waarop gesolliciteerd wordt.

4.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.