Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-5101 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid. Ontslagvergoeding en aanvullende vergoeding.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5101 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 juli 2005, 04/144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de [naam groep] (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A.M. van Kempen, advocaat te Rotterdam, B.J.H. Uffink, voorzitter van het bestuur, en ing. P.G.M. Hobbelen, algemeen directeur van de [naam groep].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in april 1999 in dienst getreden als hoofd Personeel en Organisatie (P&O) bij de [naam groep] te [vestigingsplaats]. Als zodanig maakte hij deel uit van de centrale directie, onder leiding van de algemeen directeur O. Eind 2001 is O. als algemeen directeur opgevolgd door B. Na enkele maanden heeft appellant het vertrouwen in B. opgezegd. B. is eind mei 2002 door het bestuur geschorst en vervolgens ontslagen. Bij die schorsing heeft het bestuur appellant meegedeeld dat ook hij bepaald niet vlekkeloos heeft geopereerd en dat hij aan het escaleren van het conflict heeft bijgedragen door zijn medewerkers van het opzeggen van het vertrouwen in kennis te stellen. In de plaats van B. is een interim-directeur aangesteld. Deze heeft een onderzoek ingesteld naar de situatie van de [naam groep]. Op 23 augustus 2002 heeft hij daarvan rapport uitgebracht, met als conclusie dat sprake was van ernstige organisatorische problemen en onvoldoende draagvlak voor de centrale directie. Aanbevolen werd om de centrale directie per direct volledig te vernieuwen en de nog in functie zijnde directeuren appellant als directeur P&O en zijn collega R. als directeur FEAZ te vervangen.

1.2. Op 5 september 2002 heeft het bestuur appellant en R. meegedeeld dat is besloten de centrale directie met onmiddellijke ingang te ontbinden en hen verzocht voorlopig met betaald buitengewoon verlof te gaan. Niettemin zijn appellant en R. op 6 september 2002 op het werk verschenen, waarna zij door het bestuur zijn geschorst.

1.3. Mede op grond van de bevindingen van de interim-directeur, de huisaccountant en een organisatieadviseur/psycholoog heeft het bestuur aanvankelijk geconcludeerd dat appellant moet worden aangemerkt als onbekwaam en ongeschikt voor de uitoefening van zijn functie. Bij brief van 14 november 2002 heeft het bestuur aan appellant het voornemen meegedeeld hem eervol ontslag te verlenen, primair met toepassing van artikel 8:6 van het toepasselijke rechtspositiereglement (CAR/UWO) wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken, en subsidiair op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van dat reglement. Tegen dit voornemen heeft appellant bedenkingen ingebracht.

1.4. Bij besluit van 20 december 2002 heeft het bestuur afgezien van het hiervoor vermelde primaire voornemen en appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO per 1 februari 2003 ontslagen. Daarbij is op de voet van het derde lid een regeling getroffen waarbij appellant een ontslaguitkering is toegekend ter hoogte van de uitkeringen als omschreven in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO. Bij het bestreden besluit van 29 december 2004 heeft het bestuur, na bezwaar, het ontslag gehandhaafd, doch naast de reeds toegekende ontslaguitkering aan appellant een aanvullende vergoeding toege-kend van € 38.172,- bruto, zijnde zes bruto maandsalarissen inclusief vakantiebijslag.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellant bestrijdt in hoger beroep zowel het ontslag op zichzelf als, uitgaande van ontslag, de hoogte van de toegekende uitkering.

2.2. Het aan appellant verleende ontslag "op andere gronden", zoals bij het bestreden besluit gehandhaafd, berust in hoofdzaak op de overweging dat in de periode van september 2002 tot december 2002 tussen appellant en het bestuur een zodanige situatie is ontstaan dat sprake is van verstoorde verhoudingen en van een vertrouwensbreuk die aan verdere samenwerking in de weg staat. Gelet op hetgeen blijkens de gedingstukken over en weer tussen partijen is voorgevallen kan de Raad - evenals de rechtbank - deze overweging zonder meer onderschrijven. Daarmee was aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO voldaan. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat het bestuur met het ontslag buiten het toepassingsbereik van dit artikel is getreden. Daarvoor is niet voldoende dat het bestuur zijn kritiek op het functioneren van appellant als directeur P&O niet (wezenlijk) heeft teruggenomen. Evenmin kan worden gezegd dat de reden voor het ontslag in dit geval was gelegen buiten de persoon van de betrokkene en diens werksituatie. Van misbruik van de ontslagbevoegdheid is geen sprake.

Het ontslag als zodanig houdt dus in rechte stand.

2.3. Wat betreft de hoogte van de ontslaguitkering moet worden vooropgesteld dat het bestuur in het bestreden besluit in het voetspoor van het advies van de Regionale Bezwarencommissie heeft erkend een zodanig aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen te hebben gehad dat niet met (een garantie op) de reguliere ontslaguitkering kon worden volstaan. Ook naar het oordeel van de Raad is daarbij terecht betekenis toegekend aan de wijze waarop en de bewoordingen waarin het bestuur in de periode voorafgaande aan het ontslag heeft ingezet op onbekwaamheid en ongeschiktheid van appellant, om uiteindelijk te moeten concluderen dat een ontslag op die grond geen stand zou kunnen houden.

2.4. Dit erkennende, heeft het bestuur appellant een "plus" boven de reguliere uitkering toegekend die berekend is met behulp van de zogeheten kantonrechtersformule. Daartoe is het aantal dienstjaren (4) vermenigvuldigd met een leeftijdsfactor (1,5) vermenig-vuldigd met het bedrag van een brutomaandsalaris en is de zogenoemde C-factor op 1 gesteld vanwege de omstandigheden van het geval, de reguliere ontslaguitkering van appellant daaronder begrepen. Ter zitting is gebleken dat het bestuur niet wil staande houden dat de kantonrechtersformule als zodanig in het ambtenarenrecht toepassing kan vinden, doch veeleer een aanknopingspunt heeft willen zoeken om de diensttijd, de leeftijd van de betrokkene en diens positie binnen de organisatie in de ontslaguitkering te verdisconteren. De uitkomst van deze berekening is door het bestuur zelfstandig op juistheid getoetst in het licht van alle omstandigheden, waaronder het eigen aandeel in de verstoorde verhoudingen. De kantonrechtersformule als zodanig is dus niet doorslaggevend geweest voor de hoogte van de aanvulling. Deze toelichting in aanmerking genomen, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit reeds vanwege de wijze van zijn totstandkoming voor vernietiging in aanmerking komt.

2.5. Ook overigens kan het bestreden besluit de rechterlijke toetsing doorstaan. Aannemelijk is geworden dat de positie van appellant als directeur P&O al vóór september 2002 omstreden was. Door zich niet zonder meer neer te leggen bij het verzoek om met behoud van salaris thuis te blijven, maar het op een schorsing te laten aankomen, heeft appellant de verhouding met het bestuur onnodig op scherp gezet. Dat hij zich vervolgens heftig heeft verdedigd is in het licht van de opstelling van het bestuur niet zonder meer verwijtbaar, maar de toonzetting van die verdediging heeft ertoe bijgedragen dat de vertrouwensbreuk definitief is geworden en dat terugkeer van appellant - ook in een andere functie - geen reële mogelijkheid meer was. Onder deze omstandigheden acht de Raad de ten behoeve van appellant getroffen aanvullende voorziening in verhouding tot het aandeel van het bestuur niet onredelijk. Dat ten behoeve van B. en R. gunstiger financiële regelingen zijn getroffen kan - wat er verder van zij - niet tot een ander oordeel leiden, nu deze gevallen niet met het geval van appellant op één lijn kunnen worden gesteld. De Raad wijst in het bijzonder op de hogere positie van B. en op de achtergronden van diens vertrek, alsmede op de aanzienlijke verschillen tussen appellant en R. waar het gaat om leeftijd en dienstjaren.

2.6. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.