Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3345 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Niet-aangetekende uitnodiging voor hoorzitting niet ontvangen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3345 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 april 2005, 04/5010 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant, laatstelijk werkzaam als pompbediende/kassier, heeft zich met ingang van

30 september 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege rugklachten en psychische klachten. Per die datum is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Appellant heeft nadien enige malen het spreekuur van de verzekeringsartsen van het Uwv bezocht. Naar aanleiding van een onderzoek door de verzekeringsarts I. Eygür op

11 augustus 2004 is geconcludeerd dat appellant weer geschikt is om zijn werkzaamheden te verrichten. Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 16 augustus 2004 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het rapport van 11 oktober 2004 van de bezwaarverzekeringsarts

F.L. van Duijn. Deze bevestigt op basis van dossieronderzoek de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant op de datum in geding geschikt is te achten voor zijn arbeid.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van het in bezwaar en in eerste aanleg gestelde. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant medische informatie ingebracht van zijn huisarts, een psycholoog en twee fysiotherapeuten. Appellant acht zich op de datum in geding niet in staat om in een werksituatie te functioneren en verzoekt de Raad dan ook het besluit tot betermelding te vernietigen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet aanleiding om in de eerste plaats een grief van processuele aard aan de orde te stellen.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat het Uwv hem geen gelegenheid heeft geboden zijn bezwaren op een hoorzitting nader toe te lichten. Appellant stelt dat hij de uitnodiging voor de hoorzitting van 6 oktober 2004 nooit heeft ontvangen. Appellant stelt dat hij regelmatig post niet ontvangt en dat hij het Uwv destijds heeft verzocht om zijn post naar een postbus te verzenden.

De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen (waarbij appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder):

“ Verweerder heeft echter de juiste adressering gebruikt bij het verzenden van de uitnodiging voor de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 11 oktober 2004 aangegeven dat hij telefonisch contact heeft willen opnemen met eiser, maar dat eiser niet telefonisch te bereiken was. Gelet op het feit dat eiser zowel de primaire beslissing als de bestreden beslissing heeft ontvangen is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiser de uitnodiging van de hoorzitting niet heeft ontvangen.”

De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad erkend dat op de medische kaart is vermeld dat appellant verzoekt de post voor hem aan zijn postbus te adresseren, maar dat alle post alsnog naar appellants huisadres is verzonden. De gemachtigde heeft ter zitting ook aangegeven dat de hoorzitting tevens een nader medisch onderzoek zou zijn. Dienaangaande merkt de Raad op dat het niet ongeoorloofd is om in daarvoor in aanmerking komende Ziektewetzaken het nader medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts tevens als hoorzitting te laten functioneren, maar in casu is wel aannemelijk dat appellant de uitnodiging voor de hoorzitting, die niet-aangetekend is verzonden naar zijn huisadres, niet heeft ontvangen. Dit klemt temeer nu appellant blijkens een antwoordformulier, gedateerd 5 september 2004, aan het Uwv heeft laten weten dat hij van de mogelijkheid om te worden gehoord gebruik wenste te maken. De Raad is dan ook van oordeel dat in strijd is gehandeld met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu zich geen van de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingssituaties voordoet. Dat brengt mee dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank waarbij het besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

Nu appellant in de procedure in eerste aanleg, en in hoger beroep, ampel de gelegenheid is geboden zijn standpunt ten aanzien van de beëindiging van het ziekengeld naar voren te brengen, acht de Raad het om redenen van proceseconomie aangewezen om na te gaan of hij het geschil ten gronde kan beslechten.

De Raad zal derhalve beoordelen of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht met ingang van 16 augustus 2004 heeft ingetrokken.

De Raad ziet in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische rapportages geen aanleiding om te oordelen dat de klachten van appellant onvoldoende zouden zijn onderzocht. Daarbij wijst de Raad op het rapport van de verzekeringsarts van 11 augustus 2004, waaruit afdoende blijkt dat appellant zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht en dat daarbij informatie van de huisarts is meegewogen. Het rapport bevat naar het oordeel van de Raad ook voldoende gegevens omtrent de aard van het werk dat appellant laatstelijk voor zijn uitval verrichtte. Het oordeel van de verzekeringsarts is door de bezwaarverzekeringsarts op basis van de beschikbare gegevens heroverwogen en bevestigd. In hetgeen appellant in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat de verzekeringsarts de zwaarte van dat werk heeft onderschat of dat daarbij is uitgegaan van een onjuiste inhoud van dat werk. De Raad ziet voorts in de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de ingebrachte informatie van de psycholoog drs. P.M. Fokkens-van Vugt van 17 mei 2005 en de informatie van de fysiotherapeut M. Gruijs van 30 mei 2005 geen betrekking hebben op de toestand van appellant op de datum in geding. Uit de brief van de fysiotherapeut E.W.P. Bakker van 24 december 2003, gericht aan appellants huisarts, blijkt dat appellant in de periode van 9 oktober 2003 tot en met 19 december 2003 zes behandelingen heeft gehad in verband met RSI-achtige klachten in de rechterarm. Daarbij is tevens rugscholing gegeven. Ook deze brief bevat geen gegevens die aanleiding geven voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de brief van de huisarts van 14 juli 2004. De Raad ziet alles overziende onvoldoende reden voor het oordeel dat appellant op medische gronden op en na 16 augustus 2004 ongeschikt moet worden geacht voor zijn arbeid.

De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) J. Verrips.