Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
06-2960 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondslag WUV-uitkering juist vast gesteld? General manager papierfabriek in Canada. Abstracte waardering op basis van wereldwijd vergelijkbaar en toepasbaar functiewaarderings-systeem (met zogenoemde Haypunten).

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2960 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (Ontario), Canada (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUVvan de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 16 mei 2007

I PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 april 2006, kenmerk JZ/S60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is daar in persoon verschenen met bijstand van mr. W.J.M. van Tongeren, advocaat te Utrecht, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster appellant, naar aanleiding van diens aanvraag van oktober 2003, bij besluit van 11 juni 2004 erkend als vervolgde in de zin van de Wet en hem ingaande 1 oktober 2003 enkele bijzondere voorzieningen toegekend. Hierbij is verweerster er overeenkomstig medisch advies van uitgegaan dat appellant aan zijn vervolging toe te schrijven psychische klachten heeft. Het in die aanvraag tevens vervatte verzoek om toekenning van een periodieke uitkering had appellant kort na de indiening daarvan ingetrokken.

In oktober 2004 heeft appellant - onder vermelding dat zijn economische omstandigheden drastisch zijn veranderd - verweerster alsnog gevraagd om hem op grond van de Wet een periodieke uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van die aanvraag - die verweerster onder de gegeven omstandigheden heeft aangemerkt als onderdeel van de aanvraag van oktober 2003 - heeft verweerster bij besluit van 17 juni 2005 alsnog ingaande 1 oktober 2003 aan appellant tevens een periodieke uitkering toegekend. De grondslag van die uitkering is daarbij vastgesteld op € 2.395,83 per maand, gebaseerd op het inkomen uit het beroep van general-manager/mede-eigenaar van een papierfabriek. Die grondslag heeft verweerster, na hiertegen gericht bezwaar, bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Verweerster heeft haar standpunt daarover gebaseerd op de resultaten van een op haar verzoek door MKB Adviseurs uitgevoerd onderzoek naar het inkomen dat appellant in 2003 maximaal uit zijn functie had kunnen behalen bij een vergelijkbaar bedrijf in Nederland.

In bezwaar en beroep is door en namens appellant betoogd - kort samengevat - dat verweerster, gelet op de aard en omvang van zijn bedrijf, de door hem gedragen verantwoordelijkheden en het feitelijk genoten inkomen, de grondslag van zijn uitkering op een hoger bedrag had dienen vast te stellen. In dit verband heeft appellant mede gewezen op de resultaten van de op zijn verzoek door Bureau Berenschot en door de Hay-Group uitgevoerde financiële waardering van het door hem uitgeoefende beroep.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 8, derde lid, onder a, van de Wet, wordt ingeval van beroeps- of bedrijfsuitoefening buiten Nederland bij de vaststelling van de grondslag rekening gehouden met het meest vergelijkbare beroep in Nederland, alsmede met vakopleiding, bekwaamheid en andere factoren welke terzake van belang kunnen zijn.

Hieruit volgt dat - anders dan namens appellant ter zitting primair is betoogd - niet reeds het feitelijk genoten inkomen bepalend is voor de hoogte van de grondslag van appellant. Terecht is daarom bij het op verzoek van verweerster ingesteld onderzoek het inkomen dat appellant bij een vergelijkbaar bedrijf in Nederland zou kunnen verdienen als maatstaf genomen.

Aan de hand van door appellant verstrekte bedrijfsgegevens is MKB Adviseurs in rapportages van 8 juni 2005 en - in reactie op de door appellant ingediende bezwaren - van 25 januari 2006, mede met gebruikmaking van (statistische) gegevens over macro-economische ontwikkelingen in Canada en Nederland en brancheontwikkelingen in Nederland, gekomen tot de vaststelling - samengevat - dat iemand met een vergelijkbare functie bij een naar aard en omvang vergelijkbaar bedrijf in Nederland in beginsel een inkomen van € 57.000,-- zou kunnen verdienen. Die uitkomst is vervolgens gehalveerd, op de grond dat uit de financiële bedrijfsgegevens bleek dat het bedrijf van appellant al geruime tijd verliesgevend was en de kans dat een vergelijkbare onderneming in Nederland haar activiteiten wegens liquiditeitsproblemen had moeten staken op ongeveer 50% is te schatten.

De Raad acht het door verweerster over de uitkeringsgrondslag ingenomen standpunt met deze adviezen van MKB Adviseurs naar behoren voorbereid en toereikend gemotiveerd.

Hierbij is allereerst van belang dat niet is gesteld of gebleken dat bij de totstandkoming van die adviezen van onjuiste feitelijke gegevens is uitgegaan. Ook bestaat geen reden om aan de deskundigheid van MKB Adviseurs - als organisatie gericht op het midden- en kleinbedrijf - tot het verrichten van een onderzoek als het onderhavige te twijfelen.

Voorts is van belang dat inherent is aan de toepassing van artikel 8, derde lid, onder a, van de Wet dat de bepaling van het vergelijkbare inkomen in zekere mate berust op aannames en schattingen. Dat die aannames en schattingen in dit geval niet op redelijke gronden berusten heeft de Raad niet kunnen vaststellen. Dit geldt in het bijzonder voor de wijze waarop rekening is gehouden met de financiële positie van het bedrijf van appellant in Canada. Al in eerdere rechtspraak - onder meer CRvB 16 juni 1994, WUV 1993/219, JSV 1994/246 - heeft de Raad aangegeven dat verweerster bij de toepassing van artikel 8, derde lid, onder a, van de Wet rekening mag houden met de omstandigheid dat het bedrijf van een aanvragende ondernemer verliesgevend is.

De door appellant in bezwaar ingebrachte visie van Bureau Berenschot en van de Hay-Group acht de Raad hier niet bruikbaar, aangezien die visie berust op een abstracte waardering op basis van een wereldwijd vergelijkbaar en toepasbaar functiewaarderings-systeem (met zogenoemde Haypunten) van de functie van vice-president c.q. divisie-directeur van een middelgrote onderneming. Bovendien is hierbij uitgegaan van een te rooskleurige voorstelling van de omzet (€ 6.000.000,- i.p.v. € 3.426.637,-) en de personeelsomvang (50 i.p.v. 38 volgens opgave van appellant en 7 volgens berekening van MKB Adviseurs aan de hand van de opgegeven loonsom) - en is deze methode dus onvoldoende toegespitst op de in artikel 8, derde lid, onder a, van de Wet gestelde eisen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.