Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
05-3508 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. CBBS. Deugdelijke en inzichtelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3508 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 april 2005, 04/1941 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.R. Brouwers, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadien – in reactie op een schrijven van de Raad – een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards van 27 februari 2007 ingezonden.

Appellant heeft een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Appellant is, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.J.M. van Hees.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich, vanuit een WW-situatie, op 16 december 2002 ziek gemeld vanwege rugklachten, linker schouderklachten en klachten verband houdende met een hoge bloeddruk: energetische problemen, hoofdpijn en duizeligheid. Bij besluit van 12 december 2003 is geweigerd aan hem in aansluiting op het einde van de wachttijd (van 52 weken, dus per 15 december 2003) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 5 augustus 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen reden is de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt en deze functies tevens voor de bekwaamheden van appellant berekend zijn. De rechtbank heeft gezien het voorgaande geconcludeerd dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft geweigerd aan appellant per 15 december 2003 een WAO-uitkering toe te kennen. Het bestreden besluit is desalniettemin, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 met de LJN-nummers AR 4716, 4717, 4719 en 4721, door de rechtbank vernietigd omdat eerst na het bestreden besluit door het Uwv een deugdelijke toelichting en inzichtelijke motivering is gegeven aangaande de passendheid van de functies vanuit medisch oogpunt. Wegens de houdbaarheid van het bestreden besluit ten materiële heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand worden gelaten, een en ander met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden naar voren gebracht als in zijn beroep bij de rechtbank. Kort samengevat voert appellant aan dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is, dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat de voorgehouden functies medisch niet geschikt zijn en verder de functie printmonteur gelet op de gestelde opleidingseisen en de vereiste beheersing van de Nederlandse taal niet passend is.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts in acht genomen medische beperkingen van appellant. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de medische beoordeling.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. De Raad is van oordeel dat de rechtbank afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de functie printmonteur berekend is voor de bekwaamheden van appellant.

De Raad is verder van oordeel dat de belasting in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt, zodat de geselecteerde functies op goede gronden zijn gebruikt voor de schatting.

De namens appellant in hoger beroep overgelegde brief van de gemeente Oosterhout waarin appellant is meegedeeld dat hij in het kader van zijn aanspraken op een bijstandsuitkering ingaande 28 september 2006 is ontheven van de arbeids- en reïntegratieverplichtingen jegens de gemeente doet daar geenszins aan af. Nog daargelaten dat de verleende ontheffing ziet op een datum gelegen ver na de hier in geding zijnde datum van 15 december 2003, merkt de Raad op dat een dergelijke ontheffing vanwege de andere toepassingscriteria volledig losstaat van en geen betekenis heeft voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO. Daarbij komt nog dat die brief geen gegevens bevat ter onderbouwing van dat besluit.

De Raad overweegt voorts dat, bezien in het licht van de in de door de rechtbank aangehaalde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde eisen die moeten worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, het Uwv eerst met de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards van 27 februari 2007 een afdoende en sluitende motivering gegeven heeft waaruit kan worden geconcludeerd dat de geselecteerde functies vanuit medisch oogpunt passend zijn te achten voor appellant.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat, nu eerst na het nemen van het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige medische motivering is gegeven, het bestreden besluit door de rechtbank terecht en op goede gronden is vernietigd. De rechtsgevolgen zijn evenzeer terecht en op goede grond(en) in stand gelaten omdat appellant ten materiële geen recht op een WAO-uitkering heeft per 15 december 2003. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.